intervieweric de vroedt

Bekroond regisseur Eric de Vroedt maakte een voorstelling over zijn Indische moeder: ‘Ik moest haar tot leven wekken’

Theaterregisseur Eric de Vroedt en actrice Esther Scheldwacht, die in de voorstelling zijn moeder speelt.  Beeld Eva Roefs
Theaterregisseur Eric de Vroedt en actrice Esther Scheldwacht, die in de voorstelling zijn moeder speelt.Beeld Eva Roefs

In zijn nieuwste (marathon)voorstelling bij Het Nationale Theater, De eeuw van mijn moeder, onderzoekt regisseur en schrijver Eric de Vroedt welke sporen het koloniale verleden bij zijn moeder hebben nagelaten.

De eerste woorden die Eric de Vroedt uitspreekt, illustreren hoe onontkoombaar de stem van een moeder kan nagalmen. Wijzend naar een waaier van perfect uitgestalde weekendkranten – gelezen doch ongekreukt – op tafel: ‘Mijn moeder. Die wilde het ook altijd netjes hebben. Georganiseerd.’ Het appartement aan een Amsterdamse gracht dat De Vroedt met zijn vrouw bewoont, is al even onberispelijk.

Behalve een zoon die ‘meer druk dan liefde’ voelde van zijn vorig jaar overleden moeder is De Vroedt (49) een van ’s lands toonaangevende toneelschrijvers en regisseurs. Sinds 2018 is hij artistiek leider van Het Nationale Theater. Zijn werk is vaak maatschappelijk geëngageerd en geregeld hoogstpersoonlijk. Zo ook zijn nieuwste stuk, dat bijna in première gaat: De eeuw van mijn moeder. Het is een marathonvoorstelling van 4,5 uur met een centrale rol voor zijn uitgesproken en eigenzinnige moeder, een Indische vrouw met een complexe familiegeschiedenis die een leven lang bezig was alles te zijn behalve dat: een Indische vrouw.

In de voorstelling onderzoekt De Vroedt welke sporen het koloniale verleden, inclusief de Japanse bezetting en de daaropvolgende onafhankelijkheidsstrijd, nalaat in een familie. Een verleden met racisme, onderdrukking, geweld, ongelijkheid en ontheemding na migratie als hoofdingrediënten.

De Vroedt studeerde in 1996 af als acteur aan de Toneelschool in Arnhem. Zijn echte liefde bleek al snel bij het schrijven en regisseren te liggen. Bekend werd hij met Mightysociety: een reeks van tien voorstellingen (tussen 2004 en 2012) met steeds wisselende spelerssamenstellingen. De voorstellingen gingen onder meer over de oorlog in Afghanistan, globalisering, vergrijzing en Geert Wilders (die kreeg een musical), wat hem de noemer ‘geëngageerd maker’ opleverde. Zelf ziet hij het andersom. ‘Ik heb een project nodig zodát ik me kan engageren. Om verder te komen dan een soort oppervlakkige opiniepaginaverontwaardiging.’

De laatste voorstelling van de Mightysociety-reeks was zijn meest persoonlijke: daarin voerde hij zijn toen net overleden vader op het toneel op. Dezelfde acteurs die in 2012 zijn vader (Hein van der Heijden), moeder (Esther Scheldwacht) en hemzelf (Bram Coopmans) speelden, doen dat nu weer. Een ander hoogtepunt was zijn 6-delige toneelreeks The Nation (2018), naar eigen zeggen ‘een Netflix-serie op toneel’ over een op hol geslagen samenleving. Hij won er de Toneelschrijfprijs mee.

Een NRC-verslaggever die een aantal dagen met hem meeliep in aanloop naar een toneelproductie omschreef De Vroedt als ‘een ongeduldig bijtgraag roofdier’ dat zijn spelers om de zoveel woorden onderbreekt voor bijsturing, een vraag of een regieaanwijzing. Een grapje tegen actrice Romana Vrede, in dezelfde reportage: ‘Moet je plassen? Ik niet. Jij mag alleen plassen als ik ga plassen.’ De Vroedt moet hard lachen als hij de omschrijving en het citaat hoort: ‘Ja, ja, o ja, zo ben ik echt. Heel dwingend, maar ik heb ook de tegenkracht nodig van acteurs die zich daaraan ergeren.’

In datzelfde stuk gaf je jezelf qua dwingendheid een 9,5 op een schaal van 1 tot 10.

‘Ik vrees dat ik bij dit stuk in bepaalde scènes op een 10 zit. Ik heb zo’n precies en specifiek beeld, het moet kloppen, qua geloofwaardigheid en gevoel.

‘Dat dwingende is ook mijn moeder, die zat er altijd bovenop. Als een dwingende regisseur. Na een voorstelling wilde ze bijvoorbeeld per se met een groep in een cirkel napraten over de voorstelling. Zij wees dan waar iedereen moest zitten, haar vriendinnen, de acteurs en mij.’ Met iets hogere stem: ‘Nee Hein, kom, jij moet hier.’ Thuis had ze dat ook. Die muziek moest op, daar moesten we nu over praten.’

Als kind speelde De Vroedt hele dagen met Playmobil, in zijn eentje. Dan creëerde hij ‘een soort ideale micro-samenleving’. ‘Ik wist precies waar iedereen moest staan, hoe de onderlinge verhoudingen moesten zijn. Dat bouwen van de perfecte opstelling gaf mij zo’n gevoel van geborgenheid, van veiligheid – ik kan dat nog terughalen. Soms kwam een vriendje langs, die wilde er dan mee spelen, maar daar had ik geen enkele lol in. Het ging mij om de enscenering. Mijn acteurs plagen me ermee. Dan roepen ze: wij zijn jouw Playmobilpoppetjes.’

De ‘veeleisende, perfectionistische controlefreak’ – De Vroedts eigen woorden – toont zich tijdens het gesprek vooral een zachtaardige en verrassend ontspannen ogende man. En dat amper een week voor de eerste try-out. Ook de lastig te negeren verzoeken van de voluptueuze witte kater Binky, drager van een imponerende hoeveelheid vacht, willigt De Vroedt geduldig in: deur open, deur dicht.

In 2012 overleed je vader, kort daarop voerde je hem op het toneel op. Je moeder is afgelopen juli overleden. Nu heb je haar op het podium tot leven geboetseerd. Is het schrijven en maken van een stuk voor jou een vorm van rouwverwerking?

‘Ik heb mezelf afgevraagd: is dit maken om niet te voelen? Soms misschien wel, dan ging ik zo op in haar verhalen, brieven, foto’s en alle research – dat is toch allemaal een vorm van hoofdarbeid. Het is bijna alsof ik het proces van schrijven en op het toneel brengen allemaal nodig heb om straks op de première te kunnen huilen.’

Eric de Vroedt over de vertolking van Esther Scheldwacht als zijn moeder: ‘Het geeft me troost als ik haar op toneel hoor. Daar is ze weer.’ Beeld Eva Roefs
Eric de Vroedt over de vertolking van Esther Scheldwacht als zijn moeder: ‘Het geeft me troost als ik haar op toneel hoor. Daar is ze weer.’Beeld Eva Roefs

Je stelt het huilen uit?

‘Nee, nee. Ik heb het stuk letterlijk huilend geschreven, dat van mijn vader destijds ook. Maar na het schrijven volgt een fase waarin het stuk op het toneel moet komen, dat is gewoon keihard werken. Dan ben ik alleen maar bezig met het maken van een goede scène en met de acteurs zoeken naar de perfecte vorm. Pas als de voorstelling staat, kan ik weer kijken en voelen.

‘Afgelopen zaterdag nog. In het derde deel laat ik een soort ontmoeting plaatsvinden tussen mijn moeder en haar eigen vader. Die heeft ze nooit gekend, hij overleed in een Japans krijgsgevangenkamp toen ze 3 was. Mijn moeder praat op dat moment over de Bersiap (extreem gewelddadige periode na de Japanse bezetting waarin Indonesische vrijheidsstrijders mensen met Nederlandse banden of voorouders belaagden, red.). Ze zingt een kinderliedje en dan ontmoet ze haar eigen vader. Hij was een jazztrompettist en komt op in een mooi wit pak. Voor mij is dat een van de meest aangrijpende momenten. Ik wilde haar haar vader teruggeven, haar geven wat ze gemist had in het leven: inclusief zijn wereld, het Indische.

‘Ik had gehoopt dat mijn moeder in de zaal daarnaar zou kijken en dat ze het zou voelen. In haar hoofd zou ze vast nog denken: dat is gewoon Winnie (in het stuk hebben moeder, vader en Eric zelf een andere voornaam), dat ben ik niet. En dat zou ze nadien ook tegen iedereen zeggen. Maar ze zou het wel gevoeld hebben.’

Je idee voor het stuk bestond al voor je moeder overleed?

‘Ik wilde al heel lang een vervolg maken op het stuk over mijn vader. Haar dood heeft ervoor gezorgd dat ik nu niet anders kon. Ik moest met haar bezig zijn, haar tot leven wekken.

‘Mijn moeder deed niet aan emoties. Onder de oppervlakte broeide het, maar het was één grote kluwen en ze had niet het vermogen die te ontrafelen.

‘Ik weet zeker dat ze alles wat Winnie voelt in de voorstelling ook echt gevoeld heeft, maar ze kon er niet over praten. Ze had de voorstelling prachtig gevonden. Via de voorstelling geef ik haar postuum een gevoelsleven cadeau. Mijn moeder was een groot theaterliefhebber, dat heb ik van haar. Pas in het theater of bij films kon ze vrijuit voelen. Dan kon ze zwijgen en hoefde ze alleen maar te beleven. In het donker, zonder dat iemand het zag.’

Herken je dat?

‘Ja. Ja. Heel erg. Ik jank makkelijk bij theater en film. Dat was denk ik onze aantrekkingskracht tot theater. Een alibi om te voelen. Kunnen zeggen: dit gaat niet over mij, het is maar theater of film, maar ondertussen ontzettend veel voelen en van alles verwerken. Al kan ik, anders dan mijn moeder, mijn emoties in het dagelijks leven en in relaties met mensen ook tonen.’

null Beeld Eva Roefs
Beeld Eva Roefs

In het stuk vindt Winnie het verschrikkelijk dat haar zoon Ramses een kunstproject over haar traumatische koloniale verleden en migratie heeft gemaakt. ‘Je probeert me Indisch te maken’, zegt ze.

‘Mijn moeder is in 1940 in Nederlands-Indië geboren, op haar 8ste kwam ze met de boot naar Nederland. Het lijkt wel alsof ze op dat moment een knip in haar leven heeft gemaakt: al het Indische en alle emoties in een doos heeft gestopt. Deksel erop, nooit meer opengedaan. Van die eerste 8 jaar herinnerde ze zich ook helemaal niks, beweerde ze.’

Gespeeld verontwaardigd: ‘Mijn moeder wás niet Indisch. Ze heeft zich vanaf haar aankomst in Rotterdam ten doel gesteld het perfecte Nederlandse schoolmeisje te zijn: vlekkeloos handschrift, keurig en welbespraakt, voorbeeldig gedrag. Dat werd van huis uit meegegeven: niet opvallen, niet anders zijn, zo Nederlands mogelijk zijn.’

Hield ze zich nooit met haar Indische herkomst bezig?

‘Totaal niet. En ik dus ook niet. Dat koloniale trauma heb ik niet, zei ze. Pas later heb ik dat geïdentificeerd als ‘typisch Indisch’, dat streven om vreselijk Nederlands te zijn. Het is bijna de essentie van de Indische mens.

‘Mijn moeder kon ook niet Indisch koken: ze kende twee gerechten, waarvan één Chinees bleek te zijn en de ander niet lekker was. Ze is nooit terug geweest naar Indonesië, dat wilde ze niet. Er was een grote afstand tussen haar en haar afkomst.

‘Het Indische werd wel genoemd, maar niet ingevuld. Dat heeft ook te maken met hoe er in Nederland met Indisch zijn werd omgegaan: het werd tot iets tuttigs gemaakt, iets puur cultureels. Antropoloog Lizzy van Leeuwen, die zelf Indisch is, beschrijft dat mooi. Indisch zijn was: Indische avonden, nasi en saté, wajangpoppen, batikstof, Pasar Malam, Tong Tong-festival – iets voor oudere mensen, folklore en nostalgie.

‘Het werd volledig weggehouden van het echte verhaal, van alles wat pijnlijk was. Niemand had het over hoe de eeuwenlange kolonisatie, slavernij, de Japanse bezetting of de Bersiap mensen generatie op generatie hebben beïnvloed en aan de basis staan van huidige verhoudingen. Ook Indische Nederlanders hebben hieraan meegewerkt: die wilden net zo hard weg van alle ingewikkelde verhalen.’

Je moeder ook.

‘Haar interesse in Indië of Indonesië was puur theoretisch, geschiedkundig. Dan begon ze over een interessant boek of een documentaire. Ze betrok het nooit op haar eigen leven of gevoel. Toch zei ze aan het einde van haar leven, toen bleek dat ze ziek was, tegen haar artsen: ‘Als u me maar niet behandelt als een of ander dociel Indisch vrouwtje.’ Dat was voor mij zo’n eyeopener. Het is de kernzin van de voorstelling geworden. Na al die jaren toch die vrees om te worden gezien en behandeld als tweederangsburger.’

Ze voelde zich miskend.

‘Ontzettend. Die miskendheid voelde je bij haar in alles. Mijn moeder was een rationele vrouw, welbespraakt en intellectueel gretig. Haar denkvermogen ging alle kanten op, ze had graag gestudeerd – eigenlijk is ze haar hele leven bezig geweest erkenning te krijgen voor het feit dat ze wel degelijk iets kon.

‘Ze was een stoomwals van woorden, verdroeg geen stilte. Dat zit ook in het stuk. Esther Scheldwacht heeft belachelijke lappen tekst moeten instuderen. Heb je dat gelezen, zus gezien – vragen stellen en er weer doorheen praten. Daarom is het stuk ook zo lang. Mijn moeder had minstens 4,5 uur nodig.

‘Andere personages zie je er soms onder lijden. Jezus wat praat dat mens veel. Hoe lastig ik het ook vond, ik mis die stem ontzettend. Het geeft me troost als ik haar op toneel hoor. Daar is ze weer.

‘Ze had ook veel te mopperen. Op haar artsen bijvoorbeeld en de plaspillen die ze moest slikken. Ze kon zo drie uur vol ratelen over bijwerkingen, milligrammen, hoe de ene dokter dit beweerde en de andere dat. Dat de juffrouw bij de balie niet eens wist in welke kamer ze moest zijn. Hoofdzinnen, bijzinnen, associaties – het ging maar door. Veel ging over de conflicten die ze had, vooral met mannen, die haar niet zagen staan, niet serieus namen.’

Begrijp je waar dat vandaan komt?

‘Na de oorlog is mijn oma hertrouwd met een Joods-Nederlandse man die vrijwillig als militair naar Indië was gekomen. Een zeer getraumatiseerde man. Zijn hele familie was omgekomen in Sobibor en Auschwitz, zelf had hij in onderduik de oorlog overleefd. Na de onafhankelijkheidsoorlog heeft mijn stiefopa mijn oma en haar twee dochters mee naar Nederland genomen. Samen kregen ze nog drie dochters. Misschien zag haar stiefvader, die wij opa Joepie noemden, mijn moeder en haar oudere zus in het gezin als tweederangs. Ze had een moeilijke verhouding met hem. Het was een charismatische man, maar ook opvliegend, hij dronk veel, ging vreemd.

‘Mijn moeder vluchtte uit dat huis het huwelijk met mijn vader in. Die bleek precies zo: worstelend met alcohol en huwelijkstrouw en bij vlagen enorm cynisch. Toen ik 9 was, zijn ze uit elkaar gegaan. Daarna werd mijn moeder lesbisch.’

Werd lesbisch?

‘Ze kreeg relaties met vrouwen. Dat vond ik raar, ik schaamde me tegenover vriendjes. Daarover zei ze één keer bokkig: ik ga nu met Annelies, dat ga ik niet van de daken schreeuwen, maar het mag er gewoon zijn. Meer als verwijt, niet: hoe vinden jullie het, lijkt misschien raar, maar het is heel gewoon – zo’n gesprek was ondenkbaar. Ook de scheiding van mijn ouders, dat was een mededeling op een dag. Ik weet nog dat mijn broer en ik even hebben gehuild. Daar moesten we vervolgens hard om lachen, want dat vonden we maar stom.’

Je vrouw, Herien Wensink (tevens theaterrecensent bij de Volkskrant, red.), noemde de relatie tussen jou en je moeder ‘puur intellectueel’.

‘Ze belde me over een Tegenlicht-documentaire, niet om te vragen hoe het met me ging. De enige mogelijkheid om als kind van haar een knuffel te krijgen was tijdens een enge film op tv, dan hadden we een voorwendsel om bij haar te kruipen.

‘Ons gezinsleven was kleurrijk hoor, maar emotioneel hol en leeg, er was veel emotioneel onvermogen. Ik was mijn moeders praatpaal. Zat ik als 12-jarige aan de keukentafel en zij maar klagen en fulmineren. Over de scheiding, werk. Soms riep ze: als ik jullie niet had, had ik allang carrière gemaakt. Dat trok ik me aan. Wij zijn een last. Ze liet ons erg aan ons lot over, we waren veel met z’n drieën alleen thuis. Soms was er geen geld, was het gas ineens afgesloten.

‘Ik had als taak om medelijden met mijn moeder te hebben. Dat gedrag, mezelf ondergeschikt maken aan een ander, wegmoffelen, heb ik nog lang gehad in relaties. Pas toen ik in therapie ging, ben ik gaan inzien wat ik tekort was gekomen, dat ik überhaupt een emotioneel leven had.’

Op het podium voer je gesprekken die je in het echt niet hebt gevoerd. Alsof je in het theater in het reine komt met je eigen verleden.

‘Ramses is dapperder dan ik: hij durft en kan zeggen wat ik niet kon. Tegen mijn vader heb ik zo kunnen zeggen hoeveel verdriet hij me heeft gedaan, hoe kwaad ik was dat hij me in de steek had gelaten. Ik heb die voorstelling wel dertig keer gezien, of vaak alleen gehoord. Dan zat ik achter de coulissen te luisteren, alleen maar tekst zonder afleiding. Ik denk wel dat ik daardoor iets heb verwerkt. Ik ben mijn vader ook beter gaan begrijpen. Ik hoop dat ik na deze voorstelling mijn moeder ook beter begrijp, dat ik meer liefde kan voelen, juist omdat ik veel woede en verdriet eruit kan laten.

‘Tijdens het schrijven van dit stuk begreep ik ineens waarom mijn moeder zich absoluut niet wilde laten behandelen. Ze had kanker, maar wimpelde haar ziekte weg, alsof het een bijzaak was. Gebruikte eufemistische termen: onrustige cellen, gezwel. Het leek wel een vorm van verzet, tegen de artsen die het beter wisten. Om maar te bewijzen dat ze geen ‘gedwee Indisch vrouwtje’ was.

‘Scheidingen, lesbisch worden, doodgaan – ik vind het verdrietig dat we daar niet over konden spreken. Aan die vaardigheid ontbrak het ons. Terwijl het toch de essentie van het leven is.

‘Al waren de laatste weken van haar leven, in het hospice, bijzonder. Ze kón niet meer praten. We hebben samen muziek geluisterd, een keer pakte ze zelfs mijn hand. Dat was een soort revolutie. Ik heb haar gezegd dat ik van haar hield, het floepte eruit. We houden van elkaar hè, zei ze. En toen: ga nou maar je tram halen.’

De eeuw van mijn moeder. T/m 11/7, (première 12/6), Koninklijke Schouwburg Den Haag.

Eric de Vroedt

1972 Geboren in Rotterdam

1996 Afgestudeerd als acteur aan de Toneelschool Arnhem

1996 – 2003 Oprichten van en schrijver en regisseur bij toneelgezelschap Monk

2004 – 2012 Mightysociety-project, serie van tien toneelvoorstellingen over maatschappelijke kwesties (prijzen: de Amsterdamprijs, Clara Meijer-Wichman penning en de Prijs van de Kritiek)

2012 – 2016 Voorstellingen bij Toneelgroep Amsterdam en gastregies bij Schauspielhaus Bochum en Theater Dortmund

2016 – heden Regisseur, schrijver, artistiek leider bij Het Nationale Theater. Maakte in 2017 Race, waarvoor Romana Vrede de Theo d’Or won en in 2018 The Nation, bekroond met de Toneelschrijfprijs.

Eric de Vroedt woont met zijn vrouw en kater in Amsterdam.