Beestenboel bij de saxofoonfamilie

Oprichter Ad Peijnenburg benadrukt dat het een collectief is, maar het saxofoonsextet De Zes Winden belichaamt al zo'n kleine twintig jaar het door hem bedachte concept....

In 1976 begon Peijnenburg een saxkwartet, De Vier Winden, zonder te weten dat bekendere collega's er in Amerika net ook een waren begonnen: het World Saxophone Quartet. Een voorbeeld van hoe goede ideeën soms tegelijkertijd op verschillende plaatsen kunnen opduiken - maar De Winden kozen wel hun eigen richting.

Ook nadat begin jaren tachtig de bezetting werd uitgebreid tot zes; de enige parallel hiervoor in de jazzwereld was het saxofoonsextet van wijlen Julius Hemphill, een van de grondleggers van het WSQ.

Peijnenburg (bariton), Dies Le Duc (sopraan), Klaas Hekman (bas) en Mariëtte Rouppe van der Voort (sopranino) werken inmiddels ruim tien jaar samen, en brengen allemaal een achtergrond mee die verder gaat dan vrije improvisatiemuziek en jazz; ook hedendaagse gecomponeerde muziek en fanfares zijn terug te horen in het groepsgeluid. Onlangs zijn Frans Vermeerssen en John Tchicai vervangen door Kazetoki Umezu en Andrew White, op respectievelijk alt en tenor.

De stukken zijn voor zeker de helft uitgeschreven, en gebruiken de klankmogelijkheden op telkens andere, frisse manieren. De saxen kunnen opereren als een smeuiige bigband-sectie, zoals in Hekmans Duke's Warme Voeten, maar ook als de pijpen van een orgel, of zelfs als een Ierse doedelzak, getuige het begin van Umezu's Belfast. Ze kunnen noten op elkaar stapelen tot steeds rijkere akkoorden, of in elkaar passen als radertjes; ze kunnen een koor vormen dat een voorzanger ondersteunt.

De solo's zijn vaak kort, en blijven meestal in samenspraak met het ensemble. Tweegesprekken komen ook voor, vooral de sopranino en de alt genoten er hoorbaar van om hun timbres te vermengen of juist te laten botsen, in een gezamenlijke verkenning van de boventonen. De volle glorie van het saxofoongeluid barst los in opwindende collectieve variaties: spetterend vuurwerk of een vrolijk kwetterende, grommende en blaffende beestenboel.

Van de twee nieuwelingen voegt vooral Andrew White iets extra's toe aan de persoonlijkheid van de groep. Hij is een stuk uitbundiger dan zijn voorganger Tchicai, en nam meteen met verve de rol van presentator op zich. Hij is de man van de meest jazz-achtige solo's, hartstochtelijk declamerend als zijn grote idool, John Coltrane. En hij leverde het grappigste stuk van de avond: Three Jazz Parodies, waarin zelfs de twist van Chubby Checker even voorbijkomt.

Meer over