Bartók: The Piano Concertos

Tik, ruis, bonk en ritsel * * * *

Guido van Oorschot

Wie Bela Bartók in de jaren 1923-26 tegen het lijf liep, trof een man die zichzelf omschreef als 'ex-componist'. Er waren een paar Italiaanse reisjes en de ontdekking van oude klaviermeesters als Frescobaldi en Rossi voor nodig, om de pen weer in beweging te krijgen.

Het herstel bleek uit het Eerste pianoconcert, dat in 1927 met Bartók als solist en Wilhelm Furtwängler als dirigent zijn première kreeg. Eén inspiratiebron ligt in het barokke racen over de toetsen. Een andere is de 'barbarij' van de volksmuziek. Samen met een snufje Stravinsky treffen ze elkaar in een concert dat aantoont hoeveel muziek er nog schuilt in de ogenschijnlijk zielloze wereld van tik, ruis, bonk en ritsel.

Neem het tweede deel, Andante. De piano zendt een drietonig morsesignaal uit, terwijl hij als een Nikkelen Nelis allerhande slagwerk aanstuurt. Er ontspint zich een magnifiek hakkepuf, waarboven sierlijke stoomslierten zweven van hobo, klarinet en fluit.

Bij de Franse pianist Jean-Efflam Bavouzet en de BBC Philharmonic onder Gianandrea Noseda ontpopt dit Andante zich als een ware plezierreis. Dat komt ook doordat ze Bartóks wensen omtrent de orkestopstelling serieus hebben genomen. Het slagwerk staat meteen achter de piano, op de plek waar doorgaans strijkers bivakkeren. Die zijn verbannen naar de zijkant en dat biedt dubbel voordeel. Op slag praten piano en slagwerk dezelfde taal. En de orkestklank krijgt weidse, transparante trekken.

Bavouzet viel vorig jaar in de prijzen met een Debussy-cd. Jammer dat hij de twee andere Bartókconcerten door een alledaagsere bril bekijkt.

Meer over