Bange stokers van de locomotief

In plaats van voor hun overgebleven verstandige lezers een kwaliteitskrant te maken, laten Nederlandse journalisten zich hun eigen ondergang aanpraten, constateert Jan Blokker....

Er wordt over het functieverlies van de kranten – niet langer nummer één als leverancier van het nieuws en als platform van publieke meningsvorming – veel gepraat. Maar vooral buiten de redactielokalen. Sommige buitenstaanders menen dat het internet kranten overbodig heeft gemaakt. Een hele reeks mediawetenschappers heeft hen in die opvatting gesterkt.

Andere buitenstaanders menen dat journalisten hun pretentie, namelijk frank en vrij en ongebonden verslag doen van het reilen en zeilen van de samenleving, niet meer weten waar te maken. Zij worden in die opvatting bevestigd door Joris Luyendijk, auteur van de bestseller Het zijn net mensen. Die had het weliswaar over journalisten die hun werk moeten doen in ondemocratische oorden als het Midden-Oosten, maar velen verklaren zijn diagnose ook op Nederland van toepassing.

En ten slotte zijn er nog deskundologen die vinden dat journalisten in de allereerste plaats de behoeften van de lezers moesten bevredigen. Het zelfbeeld van de journalist als waakhond van de democratie – dat is valse romantiek, meent bijvoorbeeld bladendokter Leon de Wolff.

Deze opvattingen vinden opvallend weinig weerwerk vanuit de beroepsgroep zelf. En ook de hoofdredacteuren laten het afweten. In plaats van de Luyendijken en De Wolffs alle hoeken van de redactiezaal te laten zien, zijn ze onder hun bureau gekropen.

Jan Blokker begrijpt het wel, maar het bevalt hem helemaal niet. In Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek definieert Blokker (1927) – filmmaker, schrijver, gewezen columnist en adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant en tegenwoordig columnist in nrc.next en recensent in NRC Handelsblad – de dagbladcrisis als een journalistencrisis. Journalisten laten zich de ondergang van de betaalde papieren kranten aanpraten. Terwijl ze zelfbewust voor die paar honderdduizend verstandige mensen die in Nederland altijd zullen blijven rondlopen, gewoon een mooie kwaliteitskrant moeten blijven maken – een krant die volgens Blokker glorieus het einde van de eeuw zal halen.

Blokker geeft in zijn elegante essay een overtuigende historische verklaring voor dit gebrek aan zelfvertrouwen. Hij stelt zich de vraag waarom de journalistiek in Nederland de afgelopen anderhalve eeuw eigenlijk nooit de kans heeft gegrepen zich te emanciperen tot de onafhankelijke professie die we uit de Angelsaksische wereld kennen.

In tegenstelling tot de Amerikaanse nieuwsgierigheidscultuur, kent Nederland van oudsher wat Blokker een opvattingencultuur noemt. Hij citeert de negentiende-eeuwse schrijver Conrad Busken Huet, tevens redacteur van een dagblad in Batavia: ‘In Nederland is de dagbladpers niet in aanzien. Zij vertegenwoordigt er geen magt in den staat, beheerscht de openbare meening niet, kan zomin reputatiën opbouwen als afbreken () De Nederlandsche dagbladschrijver is stooker ener locomotief, bestemd tot het aanvoeren van nieuwstijdingen uit binnen- en buitenland. Het publiek neemt de hoofdartikelen en verdere beschouwingen op de koop toe.’

Het dedain was duidelijk, Huet haalde z’n neus op voor de feiten. Net als de historicus Johan Huizinga, die in het begin van de vorige eeuw een reis in Amerika maakte. Hij schreef: ‘Politieke richting bezitten de Amerikaanse couranten niet meer. Zij dienen het publiek met nieuws () Het gemengde nieuws is voor ons gevoel het laagste element van het dagblad. De Amerikaanse courant is gemengd nieuws, en wil niet anders zijn.’

Huizinga’s Nijmeegse collega Rogier omschreef het journalistenvolk als ‘het contingent der povere ontwikkeling’. Journalistiek was niet zelden het eindpunt van een elders mislukte carrière.

Rogier: ‘Een schrijver zag op een journalist neer als een arts op een kwakzalver.’

De eeuw van de verzuiling (1870-1970) was een ramp voor de professionalisering van de journalistiek. De journalist werd niet gekozen en getraind als waakhond van de democratie, maar, schrijft Blokker, als ‘de herdershond van verzuilde kuddes’, als ‘blindegeleidehond van een schare lezers die anders in zeven sloten tegelijk kon lopen’.

Het was de Nederlandse kranten en journalisten altijd meer gegaan om een gewenste, dan om een bestaande werkelijkheid. Volgens Blokker wisten journalisten zich dan ook geen raad met de vrijheid die hen ten deel viel toen de zuilen waren omgevallen. Wat was van nu af aan de kleur, het credo, de identiteit van de ontzuilde krant?

In de tijd van Blokkers bewind was de Volkskrant het clubblad van de PvdA, met een vleugje GroenLinks. Dat gaf wel kleur, maar ontzuild was het natuurlijk niet – en in journalistiek opzicht was het op z’n best semiprofessioneel en op z’n slechtst drammerig en vooringenomen.

Blokker verwijt nu de hoofdredacteuren Harry Lockefeer en Pieter Broertjes te hebben gekozen voor pluriformiteit-in-eigen-krant. De opiniepagina werd ‘een containerbak voor alle gezindten’, zodat het hoofdredactioneel commentaar werd gereduceerd tot ‘één opvatting tussen een ratjetoe van meningen’.

Hoewel zeker het gevaar bestaat dat kranten kluitjesvoetbal gaan spelen en journalisten vooral elkaar als referentiekader gebruiken, is de koers die Blokkers gebeten hond, Pieter Broertjes, vanaf 1995 insloeg, juist verstandig geweest.

De maatschappijkritiek kwam niet langer van links, maar juist van rechts. Met Frits Bolkestein op de Forumpagina en met redacteuren die niet alleen bij de Groene Amsterdammer en De Waarheid, maar ook bij Elsevier, Het Parool en zelfs De Telegraaf werden gehaald, speelde de Volkskrant alert in op de omslag in het culturele klimaat – zonder haar signatuur als krant-van-de-emancipatie overboord te gooien.

Dat Pieter Broertjes als zwaarweerzeiler nogal eens zijn kompas kwijt raakte, doet Blokker in geuren en kleuren uit de doeken. De krasse columnist is als vanouds het best op dreef als hij een moving target in het vizier heeft. Hoewel ik het iets te ver vind gaan om Broertjes – en met hem het door Blokker allerminst bewonderde Genootschap van Hoofdredacteuren – te verwijten ‘het op een akkoordje te gooien met een paar oude, onverslijtbare journalistieke principes’.

Meer over