Armoede, kerst en maagdelijke sneeuw

Kruimeltje schuilt in de bioscoop tegen de ellende. Tot driemaal toe piept hij langs een portier om Charlie Chaplins The Kid te kunnen zien....

Ronald Ockhuysen

Wie Kruimeltje in de bioscoop gaat zien, hoeft niet te rekenen op een soortgelijke schoonmaakbeurt van de geest. In de realiteit van vandaag, met televisie, video-games en dvd, is vluchten niks bijzonders meer. Bovendien: wie lijdt er nog honger zoals Chris van Abkoudes jeugdheld uit 1922?

Het jeugdboek is typisch een werk uit het begin van deze eeuw. Nog geen honderd jaar geleden en toch een tijdperk weg. Rijken buiten armen uit, vrouwen zijn zonder rechten en kansloze kinderen worden in gestichten aan hun oren getrokken als zij hun mond maar even opentrekken.

Van Abkoude, een schrijvende ex-schoolmeester die in 1916 met zijn gezin naar Amerika emigreerde, maakte een speelse aanklacht tegen sociale misstanden, in een stijl die vooral bekend is van Herman Heijermans: door de armoede realistisch en aangrijpend te beschrijven, hoopte hij begrip te kweken.

Van Abkoude, tevens de schepper van Pietje Bell, bedacht Kruimeltje toen hij al zes jaar in Amerika woonde. De schrijver, die als pianist films begeleidde, lijkt zich te hebben geïnspireerd op Chaplins The Kid: beide pechvogels kennen hun vader en moeder niet, beiden ontsnappen uit een gesticht en beiden krijgen steun van een volwassene die blijft geloven in een goede afloop.

Regisseur en scenarioschrijver Maria Peters, geprezen voor haar speelfilmdebuut De Tasjesdief, maakte een effectieve bewerking van het boek. Zij gaf vooral de sfeer een belangrijke rol.

In het vooroorlogse Rotterdam dat Peters tot leven wekt - gefilmd bij de Amsterdamse Wallen, in het Enkhuizer Zuiderzee Museum en in Den Haag - valt bijna altijd sneeuw uit de lucht; maagdelijke sneeuw waarvan Kruimeltje ballen kneedt, maar waaronder hij ook bijna sterft van de kou, nadat de koster hem op kerstavond uit de kerk heeft geknikkerd.

De tienjarige Ruud Feltkamp buitelt als Kruimeltje door de nostalgisch getoonzette armoede, die Peters in bruine, aan Breitner refererende tinten vastzette. Met zijn nozem-achtige mimiek is Feltkamp een vondst (van bijna hetzelfde kaliber als Olivier Tuinier in De Tasjesdief). Het joch doet meer dan zichzelf zijn - een wijze van acteren waarop kinderen meestal terugvallen. Hij schakelt schijnbaar moeiteloos heen en weer tussen emoties als woede, plezier en verdriet.

De kwaliteit van het acteren is een van de pijlers waarop Peters' vakkundige en soms ontroerende film steunt. Op enkele jongens in het gesticht na, die te geaffecteerd spreken voor de klasse die zij representeren, zijn de acteurs door casting director Jos Gosschalk goed gekozen.

Thekla Reuten herbergt als Kruimeltjes moeder het verlangen naar een groots en meeslepend leven, Rick Engelkes overtuigt als gelukszoeker en Hugo Haenen is als kruidenier Wilkes, de man die Kruimeltje uit de goot vist, een liefdevolle optimist, zonder dat hij een sul wordt. En dan zijn er nog kleine bijdragen die het plezier opjagen: John Kraaykamp sr. als eenzame hondenmepper, Rick Nicolet als steun en toeverlaat in het jongens-tehuis en vooral Sacha Bulthuis als de boze stiefmoeder, wier sterfscène er een van zeldzame kwaliteit is.

Kruimeltje is een film die boven alles wil behagen. Peters heeft niet de ambitie het pleit te bezorgen van wat eens een gemaltraiteerde onderklasse was. Zij is geïnteresseerd in een warm sprookje over de angst, de ellende en het geluk van een schoffie met een gouden hart, compleet met de daarbij passende aanhangsels. De glimlach van een kind en een eenzame kerst ontbreken niet.

Kruimeltje is amusement zoals dat past bij deze tijd van het jaar. Iedereen kan er wel iets van zijn gading in vinden. Om dat doel te bereiken, neemt Peters soms iets te veel tijd, wat de film op die momenten stroperig maakt. Maar altijd duikt op het juiste moment Kruimeltje weer op, om met zijn droeve kop het sentiment te lokken.

Bioscopen mogen dan geen schuilkelders meer zijn tegen de armoede, met films als Kruimeltje voldoen de filmtheaters uitstekend als verzamelplaatsen van sterke verhalen. Oer-Hollands van aard nog wel, met rijp op de ramen en scheepsjongens in het vooronder. Dat is een verademing, op de valreep van een jaar waarin Nederlandse films zich inspanden vooral niet Nederlands te lijken.

Meer over