Antonio Pappano gaat Respighi dirigeren

Dirigent Antonio Pappano groeide op in Londen als zoon van een Italiaanse kok. Nu dirigeert hij het meest Romeinse stuk wat er is. Een openbaring.

Merlijn Kerkhof
Antonio Pappano: 'Het kan gebeuren dat ik door Rome loop, de klokken hoor en denk: hé, dit herken ik uit Respighi's muziek.' Beeld Musacchio & Ianniello
Antonio Pappano: 'Het kan gebeuren dat ik door Rome loop, de klokken hoor en denk: hé, dit herken ik uit Respighi's muziek.'Beeld Musacchio & Ianniello

In de gangen rond de concertzaal Santa Cecilia in Rome lopen alle medewerkers van het orkest in strak gesneden pakken, behalve de belangrijkste man. De 'direttore musicale' draagt een zwart shirt, een spijkerbroek en hardloopschoenen. Het enige wat glimt aan Antonio Pappano, de vriendelijke maestro die je gewoon Tony mag noemen, zijn diens bruine ogen en een gouden kettinkje met een crucifix.

Sinds 2005 heeft Pappano (57) naast zijn baan als muzikaal leider van het prestigieuze Royal Opera House (Covent Garden) in Londen de leiding over het - pas op, lange naam - Orchestra dell' Accademia Nazionale di Santa Cecilia, dat hij over anderhalf uur moet dirigeren. Eigenlijk was het de bedoeling dat we nu door het park Villa Borghese zouden lopen, want daar heeft de muziek die straks op de lessenaars staat alles mee te maken. Maar het regent, en een nat pak - nou ja, T-shirt dus - zo vlak voor een concert: liever niet.

De stukken die hij straks speelt en dinsdag meeneemt naar het Concertgebouw in Amsterdam, kunnen niet Romeinser. Pappano dirigeert de Fontane en Pini di Roma van Ottorino Respighi (1879-1836) - symfonische gedichten waarvoor de componist zich liet inspireren door fonteinen en pijnbomen in Rome.

Antonio Pappano dirigeert werken van Respighi
en het Eerste pianoconcert van Tsjaikovski (solist Yuja Wang)
9/5
Concertgebouw Amsterdam

Talent

Anders dan zijn naam doet vermoeden is Pappano zelf niet Italiaans. Zijn ouders wel, zij kwamen uit Zuid-Italië en gingen - volgens de overlevering met slechts één koffer en 5 pond op zak - naar Engeland. 'Tony' werd geboren in Essex, groeide op in Londen, waar zijn vader, een tenor, werkte als kok. Op zijn 13de emigreerde de familie weer, deze keer naar Connecticut in de Verenigde Staten. Pappano leerde het vak door de lessen van zijn vader, die in inmiddels werk had als zangpedagoog, te begeleiden op de piano. Op zijn 21ste had hij zijn eerste 'echte' baan, als begeleider van repetities bij de New York City Opera.

Pappano viel op. De dirigent en pianist Daniel Barenboim ontdekte zijn talent en nam hem als assistent mee naar Bayreuth, waar elk jaar de muziekdrama's van Richard Wagner worden uitgevoerd.

Zijn carrière voerde hem langs de operahuizen van Frankfurt, Oslo en Brussel. In 2002 volgde hij Bernard Haitink op bij het Royal Opera House. En nu zit hij hier, in zijn Romeinse dirigentenkamer, waar je door de muren heen flarden hoort van Respighi's muziek - musici die nog net even hun moeilijke loopjes repeteren. Als Pappano spreekt, hoor je een accent dat ergens tussen Londen en de Amerikaanse oostkust is blijven hangen, maar met zangerige uitschieters - zijn intonatie is Italiaans.

Cultuurverschillen

Lang heeft hij met zijn identiteit geworsteld: als puber had hij liever Tony Smith geheten. Die tijd is voorbij. 'Ik spreek de taal inmiddels beter en ik leer nog elke dag bij over dit land', zegt hij. 'Ik breng hier steeds meer tijd door - mijn vrouw en ik hebben een huis gekocht in Umbrië. Een oase, want meestentijds zit ik in Londen.'

Tegen de pers sprak hij bij zijn aantreden open voor de cultuurverschillen die hij tegenkwam. De Italianen zijn niet gewend in teams te werken, zei hij. 'Het is ieder voor zich. Dat dat in ons orkest dan ook zo goed lukt, is een wonder. Waar ik nog niet aan ben gewend, is de laisser-faire-attitude als het gaat om de kunsten. In Rome vind je kunst op elke straathoek, dus neemt men het hier voor lief. Elk jaar hangt er weer een zware wolk boven ons hoofd, steeds moet het orkest vechten voor erkenning en geld. Maar het gevecht wordt wel minder zwaar.'

Italië, waar de opera is uitgevonden, staat niet bekend om zijn goede symfonieorkesten. Het orkest van Santa Cecilia is een uitzondering. En sinds Pappano's aantreden is de reputatie alleen maar gegroeid. De typische Cecilia-klank volgens de chef? 'Dit orkest is direct te herkennen aan de levendige strijkersklank. Ik koester de individualiteit van de solisten in het orkest, vooral van de houtblazers, die zingen door hun instrumenten.'

Internationale tournees

Maar, nuanceert hij, schrijf niet alles toe aan mij. 'Het was al een goed orkest. Mijn voorganger, Myung-Whun Chung, heeft het fantastisch gedaan. Ik kreeg het orkest toen het net was verhuisd naar deze nieuwe zaal (in het door Renzo Piano ontworpen complex Parco della Musica, red.). De belangrijkste taak die ik mijzelf oplegde in die periode van vernieuwing, was dat we weer muziek zouden spelen waar het ooit mee groot geworden is - Italiaans symfonisch repertoire en opera. We hadden veel jonge musici, ik moest die identiteit terugvinden.'

Belangrijker voor het imago is dat het orkest beter zichtbaar is geworden - door veel internationale tournees te plannen en door veel op te nemen. 'We brengen weer veel albums uit. Dat is niet alleen goed voor het beeld naar buiten, het orkest krijgt er ook veel vertrouwen door. Het is mooi als je kunt zeggen: dit hebben we samen gemaakt.'

Een van de eerste albums die hij uitbracht met het Romeinse orkest, stond in het teken van Respighi's Romeinse trilogie, die naast de Fontane di Roma (1916) en Pini di Roma (1924) bestaat uit de Feste Romane (1928), waarin Romeinse feesten worden verklankt. Deze stukken zijn de enige van Respighi die echt repertoire hebben gehouden - anno 2017 is hij een relatief onbekende componist. De negen opera's die hij schreef, worden zelden uitgevoerd - ook in Italië niet.

Tekst gaat door onder de afspeellijst

Sceptisch

Voor zijn komst naar Rome had Pappano de stukken nooit gedirigeerd. 'Ik moet toegeven dat ik sceptisch was over Respighi. Ik was een snob en beschouwde die stukken als moetjes. Toen ik ze echt bestudeerde, was dat een openbaring. Die muziek is zo evocatief, zo vakkundig geboetseerd en rijk aan details. In het operahuis is het mijn taak om duizenden onderdeeltjes bij elkaar te brengen en ze in een duidelijk raamwerk te plaatsen dat een hele avond standhoudt. Als ik de Fontane di Roma dirigeer, voel ik me ook een operadirigent, omdat er zo veel in gebeurt.'

Respighi was in zijn tijd een ongewoon musicus, die opgroeide in een tijd waarin in de opera het verismo-genre hoogtij vierde: opera's waarin de harde kant van het leven centraal staat. Daar had hij weinig mee. Hij studeerde bij componist Nikolaj Rimski-Korsakov in Rusland, die werd geroemd om zijn orkestraties - ook iets waarin Respighi zou uitblinken. Andere invloeden in Respighi's werk zijn Claude Debussy, Richard Strauss en Igor Stravinsky. Daardoor wordt hem weleens gebrek aan eigenheid verweten. De in Bologna geboren componist wilde operaland Italië aan een symfonische traditie helpen - wat nooit echt gelukt is.

Ja, Respighi leende weleens wat. Pappano herkent in de opening van de Fontane di Roma muziek uit de derde akte van Boris Goedoenov van Modest Moessorgski. En toch is het volgens de dirigent volop Italiaanse muziek. 'Als ik deze muziek hoor, ruik ik Italië. Er zitten veel verhaaltjes in. En het is echt een verklanking van de stad. Het kan zomaar gebeuren dat ik door Rome loop en de klokken hoor en denk: hé, dit herken ik uit Respighi's muziek.'

Ook van zijn bekendste werken is niet iedereen overtuigd. Muzikale ansichtkaarten worden ze genoemd. 'Het is een commercieel pakkende manier om ze te beschrijven, maar ik denk dat je ze daarmee tekortdoet. Het is poëtische muziek met verhalen die we er zelf in moeten ontdekken. Neem het deeltje over de Trevi-fontein, waarop een beeld staat van Neptunus. Respighi maakt daar een verhaal omheen: je hoort hem uit het water komen, zodat je de golven bijna voor je ziet. Hij zet ons aan tot verbeelden.'

Is Pappano helemaal om wat Respighi betreft? De opera's voerde hij nooit uit. 'Ik ken ze niet zo goed als zou moeten. Het probleem is, denk ik, dat je er te veel invloeden in terughoort en aan de andere kant te veel afwijkingen van wat we al kennen - het is vlees noch vis. Jaren terug heb ik naar zijn La fiamma proberen te luisteren, maar om eerlijk te zijn werd ik er een beetje ongeduldig van. Toch is het niet de vraag of, maar wanneer ik eraan ga zitten. Ik moet gewoon mijn huiswerk doen.'

Lichtvoetig

Antonio Pappano neemt veel cd's op, met een nadruk op het Italiaanse (opera)repertoire. De leukste die de afgelopen jaren is verschenen, is er eentje waarop hij niet dirigeert, maar precies dat doet waaraan hij zijn carrière dankt: begeleiden als pianist. Op het album Joyce & Tony: Live at Wigmore Hall (2015) speelt hij samen met ster-mezzosopraan Joyce DiDonato. Op de dubbel-cd met veel 'lichte' muziek (van onder meer Jerome Kern en Irving Berlin) hoor je twee musici op de toppen van hun kunnen die elkaar perfect aanvoelen.

Meer over