ANTON PIECK Een levenslange lofzang op de knusheid

Geboren: 19 april 1895 in Den Helder. Ontwerper van: De Efteling, Autotron. Grootste verdriet: de parasitaire reproducties van zijn werk op placemats, koektrommels, beschuitblikken, voorraadbussen, menukaarten, theedoeken, prullenmanden en onderzettertjes....

'DIE JONGEN, daar komt niks van terecht, hij kijkt altijd achteruit, nooit vooruit', was de conclusie van een psychologisch onderzoek dat de dienstplichtige militair Anton Pieck in 1915 werd afgenomen. Het was een zeer juiste conclusie, althans wat het tweede deel betreft, over het eerste heeft Pieck zich nooit het hoofd gebroken. Hij heeft zich altijd buiten de discussie gehouden over de vraag of wat hij maakte nu kunst was of niet, belangrijk of niet, mooi of niet. Het interesseerde hem eenvoudig niet, hij werkte, zeven dagen in de week, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. En hij keek dus vooral terug. Terug naar een door hemzelf geschapen, geromantiseerd en derhalve vals verleden - zich overigens wel bewust van het feit dat hij achterom keek 'door een mooi gekleurd glaasje'.

Hij maakte ook geen geheim van het waarom van dat gekleurde terugkijken: het was 'de enorm beroerde situatie thuis toen ik kind was'. Voor psychologen moet Anton Pieck dus een open boek zijn geweest. Een beroerde jeugd in het ook al niet warme Den Helder, vader machinist bij de marine, moeder liet de kinderen (Anton en zijn tweelingbroer Henri) 'veel vrijheid', wat vermoedelijk - de details ontbreken - moet worden gelezen als een eufemisme voor weinig betrokkenheid.

Dan wil een mens wel gaan romantiseren, en iemand als de in zichzelf gekeerde Anton maakt het fantaseren over een droomwereld dan al spoedig tot zijn levenswerk. Zijn hele lange leven is zijn tekenen een vlucht uit de werkelijkheid geweest. Hij kon het weliswaar gewoonweg ook niet laten, dat tekenen, maar dan kan men nog andere thema's kiezen dan feeëriek vervallen huizen met scheefgezakte ramen en doorleefde pannendaken, besneeuwde decembertaferelen, de arreslee, de trekschuit, de postkoets, de paardentram, het olielampje, de poffertjeskraam.

Pieck echter combineerde zijn drang tot tekenen met een hang naar warmte en geborgenheid, én met een uitgesproken afkeer van de tijd waarin hij leefde. Dat laatste ging zo ver dat hij ook werkelijk helemaal niets volgde van wat er in de wereld gebeurde. Hij las geen krant, luisterde niet naar de radio, keek geen televisie: 'Deze tijd interesseert me bar weinig en de toekomst interesseert me ook niet.'

Alleen maar werken, wilde hij, 'als dilettant, onafhankelijk van welke stroming in de kunst dan ook'. Het resultaat was een oeverloze stroom tekeningen, schetsen, schilderijen, etsen, houtsneden, voor een deel in de vorm van boekillustraties (voor onverwoestbare klassiekers als Sil de strandjutter, Jody en het hertenjong en Winden waaien om de rotsen), voor een ander deel als 'gebruiksgrafiek': kerst- en nieuwjaarskaarten (waarvan er enkele miljoenen per jaar werden er verkocht), kalenders, de bakkersprenten voor Calvé in wat bekend werd als 'de slaoliestijl'. Gedetailleerde en nostalgische taferelen uit een gedroomde, roze tweede helft van de vorige eeuw, zonder seks, geweld, armoede, honger, ellende, grimmigheid, onvrede of kiespijn, en zonder uitzondering met zelfs in de winter warmte, knusheid, gezelligheid, veel harmonie en weinig haast. Die grafiek, door hem gemaakt om op grote schaal verspreid te worden - 'ik vind het aardig dat door de kaarten en de kalenders gewone mensen iets kunnen kopen dat met zorg is gemaakt' - maakte hem tot een ver over de grenzen beroemde Nederlander. Amerikanen informeerden nadat ze in het Rijksmuseum de Nachtwacht hadden gedaan: 'En waar heeft u nu het werk van Anton Pieck hangen?'

Maar de vraag of Pieck kunst maakte of kunstjes is al helemaal niet relevant, omdat de schepper er zelf van meet af aan geen doekjes om wond: hij beschouwde zichzelf als een ambachtsman, als iemand die een vak verstaat, in dit geval voornamelijk illustreren. En Pieck illustreerde zich een ongeluk, met een voorkeur voor sprookjes en andere schijnverhalen. Elk thema was goed, zolang het maar niet echt was en niet in het heden speelde: 'In het leven was het tekenen en schilderen altijd een lichtpunt, het hield je staande. Het was een vlucht uit de werkelijkheid.' Tekenen als therapie dus, voor wie de werkelijkheid te machtig is - je kunt er oud mee worden.

Piecks onthechtheid was enorm en oprecht. Zo onthecht was hij, dat hij het op latere leeftijd menigmaal beleefde dat men verrast opkeek bij het vernemen van het feit dat Pieck nog leefde. Zozeer leefde hij in het verleden dat menigeen dacht dat hij er al deel van uitmaakte, terwijl hij nog bestond en werkte en nu en dan afgaf op modernistische ontwikkelingen: 'U weet dat kinderen nu de verf met handen en voeten op papier smeren, psychologisch schijnt dat geweldig interessant te zijn, maar ik voel er geen bliksem voor. Waarom niet? Omdat ze er niets en niets door leren. Wij leerden nog een open sigarenkistje, een pot en een pan te tekenen. Heerlijk was dat'

In dit citaat uit 1985 verwijst Pieck naar de tijd dat hij en zijn tweelingbroer Henri een jaar of vijf, zes waren, en tekenles genoten: 'Je leerde er nog wat.' De wereldoriëntatie van Anton, de ambachtsman, moet toen ongeveer bevroren zijn, of zich zelfs achterwaarts hebben ontwikkeld. Op zijn 11de lag zijn stijl voor de rest van zijn leven al zo ongeveer vast en rond zijn 20ste was hij naar zijn gevoel ver genoeg teruggereisd in de tijd, ongeveer tot daar waar hij Hendrick Avercamp met zijn ijsgezichten ontmoette, Charles Dickens met The Old Curiosity Shop en The Pickwick Papers, en bijvoorbeeld de Britse illustrator Arthur Rackham die daarbij tekende, die hem sterk inspireerde en naar wiens werk hij volgens sommigen wel heel erg lang en heel erg goed heeft gekeken.

Terloops, anders kan het niet worden genoemd, is Pieck ook nog even veertig jaar lang onafgebroken tekenleraar geweest aan het Kennemer Lyceum in Overveen. Het was zijn idee niet geweest, meer dat van zijn vrouw, die toch wel graag wat vastigheid had alvorens in het huwelijk te treden. Pieck solliciteerde voor de vorm en werd tot zijn verrrassing, misschien ook wel tot zijn schrik, aangenomen.

Vijf uur lesgeven, gauw naar huis en daar nog tien uur werken aan wat hij echt leuk vond. Niet voor het geld, rijk is hij er nooit van geworden ('Ik ben een bar slecht zakenman geweest'), maar omdat hij niet anders kon. Loyaal, door sloomheid, of bij gebrek aan fantasie of durf, hield hij het leraarschap vol tot zijn 65ste. En al lang voor zijn pensionering had hij bedacht wat hij dan als eerste zou gaan maken: een olieverfje van gerookte bokkingen op een tinnen bordje.

Hij droomde van die bokkingen tijdens de rapportenvergaderingen, of van de mogelijkheid 'nu eens fijn een bosje radijs te schilderen'. Hij was er wel, maar niet aanwezig, tussen mensen wier woorden niet tot hem doordrongen. Hij leek zich nooit erg lang op zijn gemak te voelen tussen mensen. Bezoek ontvluchtte hij het liefst. Naar boven wilde hij, naar zijn werkkamer, die zijn wereld was en waar hij zijn eigen wereld maakte.

En dan dringt opeens dit besef door: Pieck kon geen mensen tekenen; Piecks mensen zijn rare vogelverschrikkers, karikaturen soms bijna, in haast getekend, als de kennelijk onontbeerlijke stoffering van de levenloze wereld die, met grote aandacht voor het kleinste detail, wél liefdevol vorm is gegeven. Aan de mens wordt vluchtig voorbijgegaan, wat ook niet anders kan, want in een droomwereld is geen plaats voor vlees en bloed, voor bezieling. Dit zou wel eens een definitie van kitsch kunnen zijn.

Bas van Kleef

Dit is de 35ste aflevering van een serie over honderd belangrijke Nederlanders van deze eeuw. De volgorde is chronologisch (op basis van geboortedatum).

Meer over