ANDRIES KNEVEL

Hij heeft de opgewondenheid van de zekerheid. Stilzitten kan hij moeilijk, zijn handen bewegen voortdurend, zijn stem heeft vaak de juichtoon van de onschokbare blijdschap en bij een geslaagde want doordringend geachte vraag rollen de ogen, in afwachting van het antwoord dat zijn zekerheid zal bevestigen....

KEES FENS

Alleen de derde gast blijkt doorgaans een geredde; hij deelt Knevels zekerheden en het gesprek wordt dan wat beschamend, want Knevel vraagt, in bijna geveinsde ongelovigheid, naar de bekende weg. Dat is een zeer oude EO-truc, ook op de radio vaak toegepast: 'Wat is dat voor een boek dat bij u op tafel ligt?' 'Dat is mijn bijbel.' 'De Bijbel, is dat Gods woord?' En dan is het alleen nog wachten op 1 Johannes, 3 vers 9: 'Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door hem.' En de bazuinen klinken.

Misschien is dit het meest kenmerkende: bij een harde of veelbetekenende vraag rollen niet alleen de ogen tot buiten het brilmontuur, maar komt Knevel ook naar voren; hij rekt zich naar de ondervraagde toe, bijna agressief, maar tegelijk ook popelend. Ik ken niemand die zo verlangt naar een antwoord om een nieuwe vraag te kunnen stellen. Zelfs naar dagelijkse zaken vraagt hij onderzoekend als een ouderling. Hij is nieuwsgierig omwille van het rijk der hemelen. Hij wordt ook gedreven door pastorale bekommernis, en wanneer die scherp zichtbaar wordt, is dat bijna beschamend tegenover de vaak oudere gesprekspartner.

Zekerheid is niet alleen hoogmoed, maar ook ijdelheid. Het triomfgevoel dat zijn hele lichaam lijkt te doortintelen, moet welhaast de vorm van genot aannemen. Wie het met God heeft getroffen, heeft het doorgaans ook met zichzelf getroffen. En de voortdurende aanwezigheid van het eeuwige streelt het tijdelijke. Uit vraaggesprekken blijkt hoe gelukkig het hem maakt dat hij zulke bekende of voorname Nederlanders mag ontvangen. Maar ze zitten nog niet, of hij begint ze ter verantwoording te roepen, want zijn vragen is altijd ondervragen. Het ambt van televisie-interviewer geeft hem de kracht van een vroegere dominee.

Ogenschijnlijk doet hij zeer royaal, met een opgewekte stem, brede gebaren, een wat vierkante lach, maar die ruimte is er binnen de engheid van een fundamentalisme waarvan Ad Langebent, met wie hij kort voor diens dood sprak, hem beschuldigde. (Voor fundamentalisme hoor je bang te zijn). Hij schrok zichtbaar van de beschuldiging, even dan. De ogen rolden sneller dan ooit en met nog meer energie boog hij zich naar voren. Hij had zich hersteld. Hij is onwrikbaar.

'Gelooft U in God?', werd hem in zo'n stenografisch interview in HP/De Tijd gevraagd, een wat komische vraag aan de directeur van de EO. Het antwoord was: 'Harstochtelijk'. Ik zie de gelaatsuitdrukking voor me die het woord nog heftiger maakt. Er ontlaadt zich een groot gevoel, maar dat heeft een nog grotere hardheid. In dat ene woord kan men een teken van onverdraagzaamheid zien. De hartstocht voor waarheid - men hoede zich. Misschien komt die hartstocht voort uit het sterke ervaringskarakter dat het geloof in sommige protestantse kringen heeft.

Knevel studeerde aanvankelijk economie; dat moet in 1970/'71 zijn geweest. Hij werd enige tijd zelfs werelds en raakte los van God. Tijdens een college economie - hij kent de collegezaal nog bij het nummer, dat in zijn leven een heilig getal is geworden - herontdekte hij God. Die legde bij de student een aantal vragen in zijn hart, naar zijn eigen zeggen. Het is altijd mooi te zien dat bij die privé-openbaringen antwoorden voor vragen worden gehouden. In ieder geval: de steen van de zekerheid viel in het hart. Knevel ging theologie studeren. Het intrigeert mij, welk onderwerp op dat college werd behandeld. Het moet iets met vraag en aanbod te maken hebben gehad.

Zijn televisiewerk kan hij niet anders dan als een opdracht zien. Na het Damascus van de collegezaal werd hij getuige, onvermoeibaar, zoals zijn hele omroep dat is. De hele dag aan de klok trekken voor God. Het merkwaardige is dat een dergelijk absoluut getuigenis-christendom iets onmenselijks heeft. God zelf lijkt eerder een stenen tafel. Het is in die onmenselijkheid niet alleen volslagen humorloos - Knevel lacht zo om zijn eigen grappen dat hij geen gevoel voor humor moet hebben - maar mist ook de humane trekken van relativering en twijfel.

Het lijkt mij niet onmogelijk dat Knevels gezicht bij sommigen als hard overkomt. Zekerheid trekt de harde lijnen van het fanatisme. Zekerheid mist de mildheid van de wijsheid. Dit blijft het ongewoonste aan de zekerheid: men acht het absolute kennelijk niet vanzelfsprekend. Vandaar dat men er de mond zo vol van heeft. Calvijn scheidde wereld en God; het troostende leerstuk van de incarnatie - de wereld is mede verlost - verwierp hij. Hij maakte merkwaardigerwijs een uitzondering voor het woord. Ik denk dat die scheiding de EO en Knevel zelf zo onwerelds maakt. En als ze blij zijn, is het omdat ze blij mogen zijn.

Ik zag een fragment van Knevels gesprek met Peter Brusse, die de allerinnemendste twijfelaar is die ik ken. Hij kreeg de zuidwester van de opgetogenheid en van God gegeven ijdelheid recht in het gezicht. Hij bleef glimlachen en zijn aarzelende antwoorden geven. Ik hoopte even dat het hem te koud zou worden. Maar hij bleef zitten. Gezegd moet worden dat Knevels gezicht geen ogenblik in de rechtlijnigheid van de strengheid zakte; hij keek ook geen ogenblik bedenkelijk. Hij was joviaal, zoals hij dat, naar mij is verzekerd, in contacten naar buiten ook is. Zo joviaal, zoals mij iemand zei, dat het bijna gevlei lijkt.

Ik was daardoor niet zo verrast. Overdreven jovialiteit is altijd een poging het duister te breken om zelf in het licht te komen. Men omhelst iedereen omdat dat een gevoel geeft zelf omhelsd te worden. De taal van de jovialiteit is altijd die van de gemeenplaats. En vrij van clichés is de taal van Knevel op de televisie niet. Zoals dat bij getuigenis en verkondiging trouwens hoort. Hij is in zijn programma joviaal omwille van de Heere.

Met dat laatste raken we de kern. Het gaat Knevel om het geloof en het uitdragen ervan. En elk gesprek, zelfs over het meest alledaagse, staat in functie daarvan. Hij is niet echt in mensen geïnteresseerd, misschien nog het meest in zichzelf. Iedereen is middel en wordt zo gebruikt. En verder wordt iedereen op de proef gesteld. Na zijn eerste vraag, die verrassend moet zijn, neemt hij een afwachtende houding aan, licht glimlachend leunt hij achterover. 'Nou U. Kom op tijd, vertoon je aan de eeuwigheid.' Hij daagt uit, vanuit zijn zekerheden, en dat is het vernederende, dat alleen een absoluut instituut kan bewerken. Of een gemeente die zich uitverkoren weet. En het leidt tot journalistiek die gewoon bemoeizucht is.

'IJdelheid der ijdelheden en alles is ijdelheid', citeerde Frénk van der Linden het boek Prediker (hij zei overigens 'Paulus', maar dat liet de godsdienstleraar Knevel passeren) en dat was van een schitterende dubbelzinnigheid. Hij verwees naar eigen ijdelheid als jong journalist, maar tegelijkertijd keek hij zo recht in de richting van Knevel dat hij hem zijn jeugdzonde toedichtte. Zelden heb ik iemand ijdeler zien glimlachen dan Knevel na de zin van Prediker, de schitterendste schaver van alle tijden. En ik dacht hoe hij de EO en Knevel in het hart heeft getroffen met zijn uitspraak: 'Het oog wordt niet verzadigd van zien en het oor wordt niet vervuld van horen.'

Prediker zou nooit protestant zijn geweest; Spaans katholiek denk ik. Hard en mystiek.

Meer over