Drama

Amerrika

Overleven in Amerika

Kevin Toma

Een leven als gevangene of een leven als toerist: voor die keuze ziet de alleenstaande Muna zich met haar zoon Fadi geplaatst, wanneer ze van Palestina naar Amerika kunnen emigreren. De dagelijkse vernedering aan de checkpoints doet Muna overstag gaan. Ze volgt een stoomcursus Engels, stopt haar spaargeld in een koektrommel en vertrekt met Fadi naar zus Raghda en dier familie in Illinois - vlak voor de invasie van Irak, in 2003.

Slechte timing, zo toont Chierien Dabis’ speelfilmdebuut Amerrika. Van het toeristenleven, of een gewoon leven als zodanig, komt met alle politiek-sociale onrust en voortwoekerende moslim-paranoia weinig terecht. Muna en Fadi kunnen blijven benadrukken dat ze niet Irakees maar Palestijns en a-religieus zijn, de meeste Amerikanen hebben daar geen boodschap aan. Een fatsoenlijke baan krijgt Muna niet, al ligt dat ook aan haar sollicitatie-methode. Stiekem begint ze bij een hamburgerrestaurant; omdat ze niet de risee van haar familie wil zijn, doet ze alsof ze bij de bank ernaast werkt. Intussen wordt de flink puberende Fadi voor Osama uitgescholden en loopt de dokterspraktijk van Raghda’s echtgenoot leeg.

Regisseur-scenarist Dabis (1976) groeide op in een Palestijns-Jordaans gezin in Ohio, en baseerde Amerrika, dat tijdens het Filmfestival van Cannes met de Juryprijs werd bekroond, op eigen ervaring. Dat geeft vooral de familiescènes een ontegenzeglijke authenticiteit mee, wanneer het huis onder alle spanning te klein wordt voor drie volwassenen en vier kinderen. Zeven fantastische acteurs overigens, met Nisreen Faour als Muna voorop: zij geeft een rondborstige verschijning, die Muna een zalig mengsel van charme, onhandigheid, waardigheid en tragiek mee. Een midden-oosterse oogopslag onder een blauw fastfood-petje, zeg maar.

Treffend is ook het door de titel ingezette spel met fouten en verbasteringenende taaluitingen. ‘Ich bin ein Berliner’, staat valt er te lezen op de muur die Israël in de Westelijke Jordaanoever heeft gebouwd. En even later, op het bord bij Muna’s hamburgerrestaurant: ‘Support our ..oops’. Muna’s zoon Fadi Fadi wordt op school consequent ‘Fatty’ genoemd; op een dag schrijft iemand ‘Al Kada’ op zijn auto, als ultieme maar hopeloos mislukte belediging.

Jammer dat Dabis nog wat vette symboliek nodig acht om de situatie van haar personages in kaart te brengen – én van hoop te voorzien.

Het schematische, soap-achtige scenario brengt Muna telkens in contact met Fadi’s sympathieke hoofddocent, die joods is en een oogje op haar heeft. Zodat in een Amerikaans hamburgerrestaurant kan gebeuren wat in Israël onmogelijk lijkt.


Meer over