tv-recensieArno Haijtema

American Insurrection toont de jaren waarin de opstand van rechts-extremisme in de VS vleugels kreeg

null Beeld

Toch weer shockerend om te zien hoe voormalig president Donald Trump het geweld goedpraatte dat in 2017 in Charlottesville, Virginia, een demonstrant het leven kostte en tientallen verwondde. Een racistische man was met zijn auto ingereden op vreedzame demonstranten, en wat zei Trump? Dat onder de racisten, die ook antisemitische leuzen riepen, very, very fine people waren, net zoals ‘in beide kampen’ sommigen ‘erg gewelddadig’ waren geweest.

Extreemrechtse demonstrant in American Insurrection. Beeld Canvas
Extreemrechtse demonstrant in American Insurrection.Beeld Canvas

De royale steunbetuiging aan white supremacists en de verdachtmaking van ‘antifa’s’ door de pas geïnstalleerde Amerikaanse president markeert in de maandag door Canvas uitgezonden docu American Insurrection het moment waarop zwaarbewapende rednecks verenigd in geüniformeerde knokploegen als Proud Boys, Boogaloo Boys en Three Percenters de wind in de zeilen kregen. Rednecks van het soort namens wie Randy Newman zingt: We don’t know our ass from a hole in the ground. Maar die intussen wel werden aangemoedigd door de man die Amerika op zijn grondvesten deed schudden.

American Insurrection is een beknopte reconstructie van de jaren waarin de opstand van rechts-extremisme in de Verenigde Staten vleugels kreeg, tot de dag waarop Trump-aanhangers het Capitool in Washington bestormden, om de ‘gestolen verkiezingen’ te heroveren. In de docu van het publieke Amerikaanse netwerk PBS en het onafhankelijke platform ProPublica gaat journalist A.C. Thompson stoïcijns in gesprek met de witte nationalisten, onder wie een aantal aantoonbaar gewelddadige, en met politie, politici en terreurdeskundige beleidsambtenaren.

Constanten in die gesprekken: het containerbegrip ‘vrijheid’, die de nationalisten zeggen te verdedigen met het automatische wapen onder de arm; hun vermoorde onschuld als Thompson hen confronteert met hun agressie; de laconieke houding van gezagsdragers die weg keken van het geweld in Charlottesville, zolang de ‘openbare orde’ maar werd gehandhaafd; het wegwuiven van de extreemrechtse terreurdreiging door het Witte Huis en het verdacht maken door Trump van ‘antifa’, van wie volgens een presidentieel adviseur weinig te vrezen viel.

Wie het nieuws in de Trump-jaren heeft gevolgd, ontdekt in deze docu weinig nieuwe feiten, maar de ordening die zij aanbrengt in een aantal gewelddadige dieptepunten is even verhelderend als verontrustend. De aanslag op een synagoge in Pittsburgh (elf doden) komt voorbij. De massamoord in El Paso (23 doden) door een tegenstander van de ‘hispanic invasion’. De Boogaloo Boy Steven Carrillo die, in de chaos na de dood van George Floyd, twee witte politieagenten vermoordde. De poging tot ontvoering van de gouverneur van Michigan (met als doel haar wegens de invoering van coronabeperkingen te ‘executeren’). De bezetting van het parlementsgebouw in Michigan door 150 gewapende witte nationalisten: de generale repetitie voor de bestorming van het Capitool op 6 januari.

De docu zet de gebeurtenissen in perspectief en geeft het kwaad een herkenbaar gezicht. En ze doet je je weer realiseren dat met het vertrek van een pleitbezorger uit het Witte Huis de haat van het rechtsextremisme geenszins is uitgewoekerd.

Meer over