‘Altijd maar bang, altijd maar onbehaaglijk’

Vijf jaar na zijn bestseller De correcties lanceert de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen (1959) een autobiografische schets: De onbehaaglijkheidsfactor. Een gesprek over de muziek van het onbehagen....

Kom bij Jonathan Franzen niet aan met swingende blanke blazers of met opgewekte rock-’n-roll. Bij de Amerikaanse schrijver moet er een probleem zijn, iets ongemakkelijks, zelfs iets vervelends – zomaar een potje erop los rocken kan bij hem niet.

Daarom aan hem overhandigd, speciaal voor hem opgediept uit de onderbuik van de vinylgeschiedenis: To my fathers house, van the Edwin Hawkin’s Singers. Vooral vanwege de titel, die aansluit bij het nieuwste – autobiografische – boek van Franzen, De onbehaaglijksfactor, dat begint bij het leeghalen en verkopen van zijn vaders (en moeders) huis en verder het verhaal vertelt van het tobberige nakomertje dat het tot bestsellerauteur schopt.

In dat boek zit overal muziek verscholen, al heeft Franzen dat per abuis gedaan, zegt hij. Zijn persoonlijke geschiedenis kreeg zo onbedoeld een soundtrack, een soundtrack van het onbehagen.

The Moody Blues – Nights in White Satin (1966).

‘Mijn eerste plaat was Walter Carlos, Switched-on-Bach, op een Moog-synthesizer gespeelde, klassieke muziek. Ik wilde pop kopen, maar ik was bang voor de afkeuring van mijn ouders. Dus kocht ik maar iets klassieks, waarvan ik dacht dat het cool was.

‘Nu kan je erom lachen, maar ik heb heel erg met die kleine Jonathan te doen. Ik luisterde naar die synthesizermuziek, en nog een keer en nog een keer, tot in het oneindige .

‘De eerste popplaat was van The Moody Blues, die met Nights in White Satin erop, Days of Future Past. Alweer: die pathetische neiging om mijn ouders te pleasen, ook met deze plaat. Want The Moody Blues zat halverwege pop en symfonische muziek. Er speelde zelfs een symfonieorkest mee.

‘Als mijn moeder me zou betrappen terwijl ik naar The Moody Blues luisterde, zou ze violen horen – en dat kon nooit erg zijn. Het voelt belachelijk om je dit verhaal te vertellen. Het raakt de kern van mijn nieuwe boek: altijd maar bang, altijd dat onbehaaglijke gevoel.

‘Toen ik dus echt betrapt werd met The Moody Blues – ik hoorde haar niet thuiskomen – sprong ze uit haar vel. Ze schreeuwde waarom ik toch naar die vreselijke rock-’n-roll moest luisteren. Het deed haar pijn, zei ze. Ongelooflijk, want muziek van The Moody Blues klinkt bijna therapeutisch, daar is amper een rockbeat in terug te horen. “Zet het af, ik kan er niet meer tegen, zet af, Jonathan.”

‘Ik deed zo mijn best om haar te plezieren, ook met het kopen van zo’n plaat, en dan wees ze me nog af. Alles werd zo ongemakkelijk daardoor, zoveel teleurstelling. Ik was bang om mezelf te tonen. Ik was bang voor de confrontatie die daarvan het gevolg zou zijn. Wat een onbehagen. ’

Frank Zappa – Mom & Dad (1968).

The Supremes – Reflections (1968).

‘Tom, mijn hippiebroer, hield van Frank Zappa en speelde het gewoon thuis. Hij zocht wel de confrontatie en liep later weg van huis. Hij was de artiest in de familie, en werd filmmaker. Bob, mijn andere broer, was veel conventioneler en luisterde naar The Supremes.

‘We hadden een rustig huis, daar in de buitenwijk van St. Louis. Wij, de drie jongens, speelden de muziek vooral als mijn moeder er niet was, zoals in de middag als ze even naar de winkel ging. Ik rende dan naar beneden, opende het stereomeubel en zette een plaat op. Totdat ik haar auto op het grintpad hoorde, snel de boel opruimde en vooral niet moest vergeten de vaas terug te zetten op het stereomeubel.’

Carole King – (You make me feel like) A Natural Woman (1971).

‘De muziek uit de late jaren zestig was jongensmuziek, zelfs die van Janis Joplin. Begin jaren zeventig waren vrouwen het zat, ze wilden thuis blijven, lekker met hun kat op de bank, en niet meer het harde leven onderweg. Grote kop thee erbij, tapijt aan de muur, Indiase beddensprei.

‘Ik was toen een opdondertje dat net dansles had. Het hoogtepunt, en ook wel de beloning, was het einde van de les, want dan mochten we lijndansen op Smackwater Jack van Carole King.

‘King was de eerste van die mainstream sterke vrouwen, ze transporteerde de jeugdrebellie van de beatniks en de hippies naar de vrouwen. Zo beïnvloedde ze mijn leraressen en mijn vriendinnen. Ik vond die vrouwen intimiderend, zeker als ze (You Make Me Feel Like) A Natural Woman zongen.’

The Talking Heads – Stay hungry (1978).

‘Stay Hungry was een zeer belangrijk nummer voor mij – and a great song. Ik was er een tijd lang van overtuigd dat ik te dik was, na mijn verblijf van een jaar in Duitsland. Ik had veel te veel bier gedronken. Ik was ten einde raad om mezelf te veranderen. Ik wilde er niet uitzien als een volgevreten jongen uit het midwesten van de Verenigde Staten. Ik wilde een bijzonder iemand worden, iemand die alles aan zou kunnen.

‘Stay Hungry werd mijn anthem, samenvallend met mijn ambitie om schrijver te worden, of een artiest zoals mijn broer, of zoals de helden uit Duitse boeken.

‘Er was die kant in mij die al die tijd onderbelicht was geweest, en die door het schrijven naar voren moest komen. Vandaar ook mijn vlucht naar Europa: daar moest het gebeuren, daar moest ik me ontwikkelen. Ik moest die man worden die altijd in me zat. Stay Hungry betekent voor mij ook hongerig zijn naar zingeving, naar al het andere dan gesetteld zijn in het midwesten. Ik was hongerig naar een ander leven.’

The Clash – London Calling (1979).

‘The Talking Heads, Elvis Costello en The Clash zijn voor mij de drie reuzen. Costello bracht me de sneer, The Talking Heads opende mijn ogen voor ironie en minimalisme. The Clash, en dan vooral London Calling, gaf me het hele pakket.

‘Het is een romanachtige plaat, heel rijk, en met meerdere lagen. En die prachtige hoes, die weer verwees naar de eerste plaat van Elvis Presley. The Clash vormde de angry soundtrack van mijn eerste twee boeken.’

Bob Dylan – It’s All Over Now, Baby Blue (1965).

‘Ik probeerde mijn derde boek, The Corrections, te schrijven in een artiestenkolonie, ergens in New Hampshire. Ik zat daar dag en nacht te worstelen met mijn boek toen een kunstenaar me vroeg om mee te gaan naar Don’t Look Back, de documentaire over Dylan. Ik werd weggeblazen door die film, en dan vooral door de coolness en de arrogantie van Dylan.

‘Ergens in die film rekent hij af met Donovan, en zingt ’m in zijn gezicht: ‘It’s all over now, baby blue. Geweldig, maar die kunstenaar met wie ik was, vond het maar niks, die nam het op voor Donovan. Toen wist ik dat die vriendschap in die kunstenaarskolonie nergens toe ging leiden.

‘Dylan wordt vaak van stal gehaald als het over rock-’n-roll en literatuur gaat. Maar hij kan toch echt niet zingen, en veel van zijn teksten zijn echt geen literatuur. Al die fictieschrijvers die zich met Dylan vereenzelvigen, maken me misselijk.

‘Rock-’n-roll en literatuur zijn volstrekt onvergelijkbare aangelegenheden, het zijn twee verschillende dieren. Rock gaat over stijl, literatuur over inhoud. Rock kleedt de werkelijkheid aan, de adolescent. Literatuur is wijsheid en volwassenheid. In mijn nieuwe boek zit veel muziek, maar er zit veel meer literatuur in.’

The Mekons – Darkness and Doubt (1985).

‘The Mekons was voor mij een tijd de beste band van de wereld, en niet omdat ze zo goed konden spelen of zingen. The Mekons lijken op Samuel Beckett in het streven om niet zinnig te zijn, en zich op te sluiten in hun eigen ontgoocheling. Ik moet om The Mekons lachen, zoals je lacht als je schip aan het zinken is.

‘Toen ik The Corrections uiteindelijk in volstrekte isolatie volbracht – geblindeerde ramen, alles geluidwerend – draaide ik na een dag werken The Mekons. Als ik me low voelde, ging ik up. Vooral Darkness and Doubt, met de mooiste regels uit de popmuziek: Darkness and doubt, they follow me about.’

Cat Stevens – Morning Has Broken (1971).

‘Morning Has Broken is het nummer dat op de begrafenis van mijn vader in de kerk werd gedraaid. Stevens coverde deze hymne. Mijn vader hield van de kerk, al geloofde hij niet. Ik denk dat ik daarom voor dit nummer koos op zijn begrafenis: het heeft iets heiligs, maar niet religieus. Dat paste bij mijn vader.’

Judy Garland – Somewhere Over The Rainbow (1939).

‘Mijn moeder was niet iemand die veel naar muziek luisterde, of in huis zong. Als we bezoek hadden, dan liep ze naar het stereomeubel en zette een plaat op – maar dan wel eentje die je amper hoorde. Een soort muzak, easy listening, iets van de The Ray Conniff Singers of zo.

‘Mijn boek begint met het moment dat ik in het huis van mijn ouders in Webster Groves ben. Ze zijn allebei overleden, en ik ben door Bob en Tom aangewezen om het huis te verkopen. Een vreemd idee, dat lege huis. Alles is er nog, behalve zij.

‘Op de begrafenis van mijn moeder werd Somewhere Over The Rainbow gedraaid, uit The Wizard of Oz, gezongen door Judy Garland. Ik kan het nummer nog steeds niet horen zonder te huilen. Het grijpt me telkens aan, zelfs als ik aan het nummer denk of, zoals nu, erover praat.

‘Zullen we dan nu maar stoppen?’

Meer over