Als wíj voor de bevolking zorgen, doen zíj dat dan ook?

‘De gemoedsrust van de verzorgingsstaat’ is een kernbegrip in de klassieke verhandeling van Bram de Swaan, Zorg en de Staat....

Anet Bleich

Zorg en de Staat is een historisch-sociologische verhandeling over het tot stand komen van collectieve verzorgingsarrangementen in Europa en de VS. Het is typerend voor De Swaan dat hij de grote lijn ook in zijn wetenschappelijke werk niet schuwt. Hij schetst hoe in de Middeleeuwen onder regie van de geestelijkheid vrijwillig collectieve liefdadigheid werd beoefend, niet in de laatste plaats om de potentiële dreiging die van de armen uitging – opstand, misdaad – te bezweren. Vanaf de 18de eeuw begon de staat de hoofdrol te spelen bij het geven van lager onderwijs. Voor het eerst konden burgers, boeren en ambachtslieden daardoor in eenzelfde taal communiceren. In de 19de eeuw, was het de lokale overheid die de slechte hygiënische omstandigheden verbeterde door de aanleg van waterleidingen, riolering en dergelijke, tot dan onbekende vormen van collectieve dienstverlening.

Eind 19de eeuw werden de contouren zichtbaar van wat nog steeds de kern is van de verzorgingsstaat: collectieve verzekering tegen de gevolgen van ziekte, invaliditeit, werkloosheid of ouderdom. De Duitse kanselier Bismarck was de eerste die, met steun van de grote industrie, een ouderdomspensioen en een uitkering bij invaliditeit invoerde. Een belangrijk motief hierbij was het tegengaan van revolutionaire woelingen onder de arbeiders. In andere gevallen – de VS ten tijde van Roosevelts New Deal is een goed voorbeeld – waren het juist de vakbonden die zich samen met politici en een deel van het overheidsapparaat sterk maakten voor de nieuwe collectieve voorzieningen. In later jaren waren overheid, werknemers en werkgevers samen de motor achter uitbreiding van de nationale verzorgingsstaat. Vanaf 1945 tot het eind van de 20ste eeuw leek het erop dat de westerse democratie en verzorgingsstaat een onafscheidelijke eenheid waren gaan vormen.

Bij het scheppen van nieuwe voorzieningen voor de armen doemt volgens De Swaan voortdurend een dilemma op, verwant aan het bekende prisoners dilemma uit de Amerikaanse politicologische speltheorie: ‘Als wij dit doen, ons in de kosten steken, doen de anderen dat dan ook?’ Als in de Middeleeuwen alle dorpen in een bepaalde regio de armen in hun directe omgeving opvingen, dan liep dat prima. Maar als om welke reden dan ook sommige dat niet meer deden, kon een dorp dat ermee doorging in grote moeilijkheden raken door een toevloed aan armen die de dorpsgemeenschap dreigden te ontwrichten. Dat probleem doet zich in de moderne tijd nog steeds voor. De herverdeling van het nationaal inkomen door de staat voor onderwijs, zorg en sociale zekerheid kan de concurrentiekracht van de economie aantasten als andere staten die collectieve opgaven niet op zich nemen.

Internationaal, constateert De Swaan, is sprake van enorme ongelijkheid in zorgniveau, wat de oorzaak is van de migratiestroom naar de rijkere regio’s. Rationeel gesproken hebben de rijke landen er daarom belang bij om ter bescherming van hun eigen levenspeil de omstandigheden in de arme delen van de wereld te verbeteren. Hoe zullen ze omgaan met dit prisoners dilemma? Die vraag, door De Swaan twintig jaar geleden aan de orde gesteld, heeft nog niets aan actualiteit verloren.Anet Bleich

Meer over