Als ik de liefde niet heb

Eva van Esch onderzoekt rustig haar talent in bundel korte verhalen

Daniëlle Serdijn

Eeuwig het ondergeschoven kindje, het korte verhaal. Terwijl in een oogopslag zichtbaar wordt wat een schrijver in huis heeft. Neem Eva van Esch (1980), die na een opleiding aan de Schrijversvakschool in Amsterdam debuteert met de bundel Als ik de liefde niet heb. In ruim veertig korte verhalen, waarvan sommige niet langer dan twee bladzijden, valt op hoezeer deze auteur gefascineerd is door dat ene bepalende, alles verduidelijkende moment.

In het gros van de gevallen gaat het over machtsverhoudingen binnen relaties. Van Esch kan met één enkele opmerking of handeling een situatie tekenen. 'Je bent haar type niet!', werd er naar me geroepen, vanuit de heg, terwijl ik mijn Saab afsloot.' Na de eerste regel uit dit verhaal, 'Indringer', ontrolt zich een minigeschiedenis over jaloezie. De man die zijn Saab afsloot, wordt belaagd door de ex van zijn vriendin. De ex smaalt. Dreigend is de sfeer, totdat de ex plots een paar biertjes te voorschijn haalt. Gedrieën drinken ze en praten over de liefde, waarna ieder voor zich tot de voorzichtige conclusie komt er niet zeker van te zijn of hun liefde wel oprecht is.

In ontwikkeling is Van Esch nauwelijks geïnteresseerd. Liever onderzoekt ze dat ene ogenblik waarop het voldongen feit zich laat aanzien. In het verhaal 'Mannen op leeftijd' is de titel al suggestief, maar het gaat nog een stap verder als Van Esch schrijft: 'Toch krijg ik het benauwd als ik uitreken hoeveel jaar ik met hem zou kunnen leven. In een decennium kun je veel meemaken, maar het eindigt ermee dat je twijfelt tussen Belgisch hardsteen en zwart graniet.' Een zin als een oorvijg.

Daarvan zijn er meer. En melig is Van Esch soms ook. Zo introduceert ze een jongeman met zwaar Brabants accent, Ernst is de naam. Dat hij in de oren van zijn verkering klinkt als een idioot vindt hij niet langer bezwaarlijk. Er is iets dat hem veel meer dwars zit. Wanneer zijn vriendin vraagt of hij iets aan zichzelf zou willen veranderen zegt hij: 'Men stem'.

Zij denkt dat ze eindelijk niet langer uitsluitend gespreksloze uitjes hoeft te verzinnen. Waarna Ernst zijn zin vervolgt: 'Men stem he'k nou geaccepteerd. Da dialect gao nie mir weg. Doar hek aon gewèrkt, maor des nie gelukt. Nee, wa'k aonders zou wille, da's da'k nie zo ernstig mir ben.' Want bij iemand met zijn naam, werkt zoiets bepaald nadelig.

Speels en onderzoekend is deze bundel. Niet meteen de grote greep, maar rustig verkennend en oefenend. Sommige verhalen maken de indruk van een stijloefening. In andere zie je duidelijker de contouren van het soort schrijver dat Van Esch kan worden. Ze maakt een haast ouderwetse literaire entree; van schrijversvakschool, via publicatie in De Revisor naar een debuut met verhalen. Beter kun je lezer en schrijver niet op een toekomst met elkaar voorbereiden.

Lof ook voor de uitgever die het aandurfde dit prille werk op de markt te brengen, al wijst weinig er op dat ze er ook werkelijk in geloven. Het mocht niks kosten, wat te zien is aan belettering en het omslag met een nikserige stockfoto. Het boek zelf valt in losse vellen uiteen wanneer je een pagina omslaat. Zelden een lustelozer uitgegeven product gezien.

Meer over