EssayArnon Grunberg

Als iedereen verantwoordelijk is voor zijn eigen lot, is falen meteen je eigen schuld. Je hebt je kansen niet gegrepen

null Beeld Micha Huigen
Beeld Micha Huigen

In onze meritocratie geldt: wie faalt heeft dat aan zichzelf te wijten. We hebben tot nu toe geveinsd dat we fundamentele onrechtvaardigheden kunnen wegpoetsen, maar vermoedelijk wordt het tijd te leren hoe we beter met die onrechtvaardigheden omgaan.

De ouders van de Britse socioloog Michael Young (1915-2002) waren musicus (vader) en schilder (moeder). Ze hadden geldproblemen en waren snel afgeleid, een keer vergaten ze de verjaardag van hun zoon. Ook beweert Michael gehoord te hebben hoe zijn ouders met elkaar bespraken of het niet beter was het kind ter adoptie aan te bieden. Op zijn 14de werd hij naar een experimentele kostschool gestuurd.

In een artikel in The New York Review of Books van een paar jaar geleden schrijft Kwame Anthony Appiah dat Young een van de belangrijkste sociologen van de afgelopen eeuw was. Hij bestudeerde niet alleen de Britse arbeidersklasse, maar hielp ook het leven van de Britse arbeiders te verbeteren. En hoewel hij niet van het woord ‘verzorgingsstaat’ hield, was hij medeverantwoordelijk voor het creëren van de Britse verzorgingsstaat.

Een ander wapenfeit van Young is dat hij het woord ‘meritocratie’ heeft gemunt en wel in zijn bestseller uit 1958, Opkomst van de meritocratie, let wel: een satire. Zoals het woord ‘meritocratie’ al doet vermoeden is het de bedoeling dat het associaties oproept met aristocratie. Niet afkomst telt, maar verdienste (merit), die zou bestaan uit een combinatie van intelligentie en inspanning – later zijn ook zaken als sociale intelligentie, talent en bekwaamheden die niet direct in het klaslokaal worden onderwezen toegevoegd aan het theezakje waaruit de verdienste wordt getrokken.

Al in 1958 waarschuwde Young voor een maatschappij die zou selecteren op grond van verdienste. Zoals hij in een voorwoord van zijn boek schreef: ‘Elke selectie van één is altijd een afwijzing van velen.’ Op welke gronden je ook selecteert, en hoe rechtvaardig je het selectieproces ook probeert te laten zijn, er zullen altijd afvallers zijn, terecht of onterecht. En het is nog maar de vraag of zelfs onder ideale omstandigheden kwaliteiten als intelligentie en talent – bijvoorbeeld de vaardigheid snel en veel uit je hoofd te leren, of de vaardigheid je aan te passen – evenredig verdeeld zullen zijn onder alle bevolkingsgroepen, hoe wij die groepen ook indelen; qua geslacht, religie, etniciteit, klasse et cetera. Het is niet gezegd dat dat per definitie niet zo kan zijn, misschien verdeelt het universum de aanleg om bepaalde vaardigheden te ontwikkelen gelijkelijk, maar het blijft hoogst onzeker. En uiteraard speelt cultuur een rol, de ene groep zal meer waarde hechten aan het excelleren in honkbal dan de andere.

In de meritocratie van de voetbalwereld is Lionel Messi (34) boven komen drijven. Omgevingsfactoren, aanmoediging, mogelijkheid tot trainen, vormen samen met talent, genetische dispositie, een onontwarbaar kluwen. Zijn verdiensten zijn zeldzaam en groot en de beloning is navenant. Daar doet de publieke opinie, ondanks een schandaal met betrekking tot de belastingaangifte van Messi, niet moeilijk over. Anders dan bijvoorbeeld het geval is bij topmensen van grote bedrijven, ook genaamd ceo’s, misschien omdat men daar de verdienste in twijfel trekt of omdat men vindt dat de beloning niet meer in verhouding staat tot de verdienste. Allicht meent men ook dat het salaris van Messi het algemene belang dient.

Waar het nu om gaat, is dat verdienste uiteraard altijd beloond wordt, we leven immers in een meritocratie, en dat schijnbaar mindere of kleine verdiensten bestraft worden of althans niet of minder beloond. Het is de verdeling van de beloningen die voor problemen zorgt, omdat op die manier samenlevingen uit elkaar worden getrokken.

De overtuiging dat een meritocratie rechtvaardiger zou zijn dan een systeem waarin sociale afkomst allesbepalend is, blijft in de praktijk ook twijfelachtig. Afkomst blijft immers in een meritocratie dikwijls toch bepalend. Iemand als de filosoof Michael J. Sandel (68) suggereert zelfs dat het kastesysteem het voordeel heeft dat je je tenminste niet verantwoordelijk hoeft te voelen voor eigen pech. Maar in een meritocratie, waarin iedereen wordt geacht medeverantwoordelijk te zijn voor het eigen lot, is falen, of beter gezegd wat wordt waargenomen als falen, meteen je eigen schuld; je hebt je kansen niet gegrepen. Wat het stigma nog pijnlijker maakt; niet anderen hebben je ermee opgezadeld, je hebt het zélf met alleslijm op je eigen voorhoofd geplakt.

Lang werd geloofd dat als het onderwijssysteem maar goed en toegankelijk genoeg zou zijn iedereen gelijke kansen zou hebben. Dat de uitkomsten dan niet gelijk zouden zijn, daar viel mee te leven, het recht was geschied. In hoeverre de geleverde prestaties eigen verdienste waren of gewoon een kwestie van geluk werd even buiten beschouwing gelaten. Om de indruk te wekken dat we in een rechtvaardig casino leven, moet er niet te veel nadruk worden gelegd op het feit dat in een casino kansspelen worden gespeeld.

Onderwijs bleef het wondermiddel. Daar zit iets in, maar het woord ‘wondermiddel’ is sterk overdreven. Om het onderwijs eerlijker te maken zijn ingrepen bedacht als positieve discriminatie, in Amerika genoemd affirmative action. Schrijver Sophie Zijlstra (54) schreef in haar pamflet Het kind en de rekening uit 2019: ‘Voor gelijke kansen is echter een ongelijke behandeling nodig.’ Wat de kerngedachte van positieve discriminatie samenvat. Aan dergelijke goedbedoelde ingrepen kleven echter onbedoelde negatieve neveneffecten.

Intussen is het meer en meer en vogue om onze verwachtingen met betrekking tot onderwijs bij te stellen. Hoezeer we dat onderwijs ook reguleren en iedereen de kans bieden het hoogst haalbare onderwijs te volgen, uiteindelijk blijven fundamentele onrechtvaardigheden bestaan of ondermijnen neveneffecten de doelstellingen van de regulering. Stel dat we het voor elkaar krijgen dat driekwart van alle kinderen uiteindelijk cum laude afstudeert aan een universiteit – waarom niet utopisch denken? – het voornaamste effect zou gigantische diploma-inflatie zijn.

Het falen van de meritocratie, of beter gezegd het feit dat meritocratie niet geheel gehoorzaamt aan onze verwachtingen mede omdat we te lui waren een boek van Young uit 1958 te lezen, wordt onder andere door iemand als de al genoemde Sandel uitvoerig besproken in zijn boek De tirannie van verdienste uit 2020. Hij meent zelfs, en hij is zoals bekend niet de enige, dat de opkomst van het populisme of extreemrechts – het is maar welk woord men prefereert – te wijten is aan het falen van de meritocratie. Er zijn ‘verliezers’ en die laten zich horen. Mij lijkt dat een te makkelijke conclusie, de aanhangers van extreemrechtse en populistische partijen zijn diverser dan deze theorie doet vermoeden, maar Sandel heeft gelijk als hij stelt dat het respect voor ongeschoold werk en de mensen die het verrichten laag is – of dat vroeger echt zoveel beter was, is onduidelijk. En hij noemt het bijna religieuze geloof in diploma’s (credentialism) dat eraan heeft bijgedragen dat praktijkervaring zonder een diploma niet voldoende op waarde wordt geschat.

Overigens zijn er de afgelopen jaren tientallen boeken over dit thema geschreven – het ene is beter geschreven dan het andere – die voor zover ik kan overzien alle min of meer dezelfde conclusies trekken: de meritocratie faalt, zij stelt ons teleur.

Sandel meent dat het kwaad – winnaars die geloven dat verliezers het aan zichzelf te wijten hebben – onder andere te bestrijden is door meer bescheidenheid van winnaars te verlangen. Hoewel ik dat deel van zijn pleidooi sympathiek vind, zie ik niet meteen hoe die bescheidenheid verspreid, om niet te zeggen afgedwongen kan worden. Het is helaas al te menselijk te geloven dat winst in het casino eigen verdienste is (je karma, een groene schoenveter, en de croupier, God of het toeval hielpen een handje).

Afgelopen week schreef Johannes Visser in De Correspondent dat we ons minder op onderwijs moeten concentreren, maar moeten streven naar een progressiever belastingstelsel en een basisinkomen om meer zekerheid, respect en welzijn voor de minder gefortuneerden te creëren. Ook meent hij dat daarmee een minder competitieve samenleving werkelijkheid zou worden. Dat laatste betwijfel ik, nog afgezien van het feit dat minderbedeelden in Mali of Afghanistan buiten beschouwing worden gelaten.

Hoe dan ook zou het besef dat het leven voor een aanzienlijk deel een kansspel is het begin kunnen zijn van een andere levensinstelling. Tot nu toe hebben we in onze meritocratie geveinsd dat wij fundamentele onrechtvaardigheden kunnen wegpoetsen, vermoedelijk wordt het tijd te leren hoe we beter met die onrechtvaardigheden om moeten gaan.

Om te beginnen zou de hubris, de hoogmoed, dat het kansspel volledig naar onze hand kan worden gezet overwonnen moeten worden. Succes en eigen verdienste, en dus ook pech en schuld, dienen uit elkaar getrokken te worden.

Een zekere competitiedrift lijkt me onvermijdelijk, mensen willen zich onderscheiden en azen op wat zij begeren – vaak begeren zij hetzelfde – maar de omgang met de minder fortuinlijken kan gracieuzer, al was het maar omdat de winnaars van vandaag ook zomaar de verliezers van morgen kunnen zijn. Louis XVI had vast niet gedacht dat hij onder de guillotine zou eindigen.

Kortom, de spelers zouden zich moeten realiseren dat de uitkomsten nooit volstrekt rechtvaardig en vaak willekeurig zullen zijn. Natuurlijk kunnen en moeten de al te oneerlijke effecten van het kansspel worden verzacht, maar dat maakt het casino enkel minder hard, minder akelig, nooit zal het een paleis worden waarin iedereen op dezelfde wijze zal worden beloond. Zij die daar niet mee willen leren leven kunnen altijd wachten op welke Messias dan ook, al leert de geschiedenis dat dat wachten lang niet altijd een onschadelijke en onschuldige bezigheid is.

Meer over