‘Als er iets fout gaat, zie ik dat ’ als geschenk

De val van de Berlijnse muur maakte indruk op de 12-jarige Sascha Ring, nu Apparat. ‘Ostalgie’, nostalgie naar Oost-Duitsland, klinkt door in zijn laatste album Walls....

Jeroen Junte

Het is heel verleidelijk om het laatste album van de Duitse producer Apparat te zien als een verlate reactie op de val van de Berlijnse Muur. Neem alleen al de titel: Walls. Ook schuren er twee compleet verschillende werelden langs elkaar op deze plaat: sfeervolle klassieke invloeden van viool en cello versus avontuurlijke techno en experimentele popliedjes. En dan die melancholieke sfeer, die ook zomaar zou kunnen doorgaan voor een onbestemde nostalgie, of in dit geval: ostalgie, dat verlangen naar de veilige en zekere tijd van de Oost-Duitse heilstaat.

Maar vooral ook omdat het persoonlijk leven van Sascha Ring (1978) – de mens achter Apparat – zo sterk beïnvloed is door de Muur, en dan vooral door de val ervan. ‘Die kwam precies op het perfecte moment. Ik was twaalf en had dus nog wel de beschermde socialistische jeugd gehad’, blikt hij met milde ironie terug. ‘En net toen mijn pubertijd begon, werd het mogelijk om naar het heerlijk decadente westen te reizen.’

Niet dat hij helemaal wereldvreemd was. Zijn vader speelde in een band. ‘Maar ja, dat was in Oost-Duitsland. Dus stel je daar niet te veel van voor.’ Maar het wakkerde wel zijn liefde voor muziek aan. In zijn tienerjaren speelde hij drums. Totdat hij in dat ‘decadente westen’ al snel ontdekte dat je ook muziek kon maken op de computer. ‘Mijn vader was een van de weinige mensen in Oost-Duitsland met een computer. Het was voor mij dus een geen vreemde machine.’

Toch is Walls geïnspireerd op hele andere zaken. ‘Die titel slaat op het neerhalen van muren in je hoofd. Waarom zou je cello en viool niet kunnen combineren met elektronische beats? Of waarom zijn zoveel popliedjes vastgesnoerd in een vast stramien? En nog zoiets; dance heeft altijd een vierkwartsmaat. Ik hou juist van contrasterende geluiden en chaos. Als er bijvoorbeeld iets fout gaat tijdens het programmeren van de beats, opeens een vervormd geluid of een haperende bas-drum, dan zie ik dat juist als een geschenk.’

Op Lowlands zal hij dit album – en nummers van zijn meer elektronische maar even sfeervolle album Duplex (2004) – uitvoeren met een heuse band; een drummer, een zanger, een bassist en hijzelf achter de knoppen. Aan het begin van de zomer staat de teller pas op vier optredens. Maar tegen de tijd dat hij op Lowlands staat, is dat aantal verdubbeld.

Optreden deed hij het afgelopen jaar vooral met Ellen Allien, de bevriende producer uit Berlijn, waar hij in 1997 naartoe verhuisde uit zijn plattelandsdorpje aan de Poolse grens. Samen brachten ze vorig jaar het weergaloze technoalbum Orchestra of bubbles uit. ‘Zij heeft me ook geleerd om me vrij te maken van muzikale barrières. Zij heeft me er van overtuigd dat ik gewoon zelf moest zingen op Walls.’ Terwijl het aanvankelijk überhaupt al een overwinning was voor Ring om met iemand de studio in te gaan. ‘Ik was een echte studionerd. Altijd alleen.’

Nog steeds staat hij het meest alleen op het podium, veelal in clubs en vergezeld van een vj. ‘Ik noem het wel eens gekscherend mijn raveset’, zegt hij amper een uur voor een optreden in de Amsterdamse club 11 maar niettemin totaal ontspannen. Inderdaad zal hij niet veel later in deze zomerse nacht in juni het publiek in club 11 trakteren op een straffe dansvloerset, die varieert van avontuurlijke techno tot pompende breakbeat die af en toe gevaarlijk dicht langs trance scheert.

Hij komt ook van de dansvloer, muzikaal gezien dan. De eerste muziek die hij uitbracht was techno – ‘doorsnee four to the floor-techno, dus dat werd me al snel te saai.’ Ook runde hij bijna vijf jaar lang het platenlabel Shitkatapult met de T. Raumschmiere, technopunker die niet op een paar decibels of bpm’s extra kijkt.

Enigszins verwarrend is het wel, al die verschillende muzikale petten die hij draagt, beaamt hij. ‘Maar bij optredens valt alles op zijn plaats. Als ik eenmaal de eerste beats hoor, of als de band het eerste nummer inzet, dan valt alles weer als vanzelf op zijn plaats.’

Met dance heeft hij een haat-liefdeverhouding. ‘Een paar jaar geleden begon er een soort xtc-revival in Berlijn. Iedereen zat helemaal onder de dope en luisterde naar minimal, wat feitelijk niets meer is dan een psychedelische house. Het is misschien wel leuk feesten, lekker met de handjes in de lucht met z’n allen. Maar muzikaal is er sindsdien niets nieuws meer gebeurd.’

Hoe zit dat dan met het imago van Berlijn als de creatieve smeltkroes voor alles wat vernieuwend en elektronisch is? Ring schampert: ‘Als je van minimal houdt misschien. Maar probeer maar eens een cool rockconcert te zien in Berlijn. Of een optreden van doorleefde jazzmuzikanten.’ En die bruisende metropool die volgens velen is? ‘Ach, het is net een dorp. Overal kom je elkaar tegen, want iedereen woont in dezelfde wijk. Dat is soms heel handig. Maar het is ook benauwend. Als er iets schort aan Berlijn dan is het juist wel durf en diversiteit.’

Tot zover zijn aversie tegen dance. Aantrekkingskracht voelt hij nog steeds. ‘Als ik in een club ben, dan klopt het ook wel weer om een goede groove te horen die je aanzet tot dansen. Zeker als je lekker dronken bent of zo. Wat ook wel weer triest is, dat je eerst iets op moet hebben voordat je de muziek snapt.’ Het zijn, kortom, vooral de randfactoren die bepalen of dance lekker klinkt, meent Ring. ‘Daarom moeten we het misschien ook maar niet te serieus nemen.’

In de studio is de dansvloer in elk geval ver weg. ‘Daar maak ik hooguit wat loops die ik kan gebruiken voor mijn solo-optredens. Voor volledig afgewerkte dancetracks heb ik het geduld helemaal niet.’ Liever speelt hij zelf instrumenten als drums, gitaar, piano of toetsen. Al was dat aanvankelijk vooral ingegeven door ongeduld. ‘Ben je net lekker aan het opnemen in de studio en denk je van: nu moet hier een gitaarrif komen, en dan moet je een halve dag wachten op de gitarist. Dan is het momentum al weer weg.’

Steeds meer voelt hij zich ook aangetrokken tot de grens tussen kunst en kitsch. ‘Ik wil graag catchy popsongs maken. Maar dan wel met een twist. Want gewoon een Coldplay-plaat maken, dat is niet zo interessant.’ Hij zou het wel kunnen overigens. ‘Maar dan wel met een echte band.’ Misschien dat het er ook nog weleens van komt. ‘Waarom niet. Het samenspelen met anderen begint me steeds beter te bevallen. Ik voel geen enkele barrière meer bij het maken van muziek.’

Meer over