Als een feestelijke catalogus

ZOU HUIZINGA in zijn nopjes zijn geweest met de schitterende heruitgave van Herfsttij der Middeleeuwen, die op het eerste gezicht oogt als een kostbare catalogus van schilderijen, altaarstukken, miniaturen, vignetten en prenten uit de dagen van Van Eyck, Memlinc en Rogier van der Weyden?...

Dat is misschien nog maar de vraag.

Weliswaar stelde hij al in 1916 vast dat onze voorstelling van vroegere beschavingen steeds sterker werd beheerst door picturale bronnen, en dat ons 'historisch zintuig' zich allengs verplaatste van het lezen naar het kijken, maar toen drie jaar later het van beeldende kunst als het ware verzadigde Herfsttij zou verschijnen, taalde hij niet naar illustraties.

Dat kan een kwestie zijn geweest van (uitgevers)zuinigheid, of van het besef dat reproductietechnieken in 1919 nog verre van volmaakt waren. Maar er stak vermoedelijk ook iets principieels achter. Huizinga wenste de Franse en Vlaamse schilderkunst van de veertiende en vijftiende eeuw bekend te veronderstellen, en voor lezers die uit eigen aanschouwing geen weet hadden van bijvoorbeeld De aanbidding van het Lam Gods, achtte hij zijn boek eigenlijk niet bestemd; of vriendelijker gezegd: zulke lezers dienden na een paar bladzijden lectuur te beseffen dat ze eerst naar het museum moesten, om te kijken.

Huizinga (1872-1945) was een strenge, veeleisende schoolmeester, aan wie het woord van Bint ('de leraar moet niet dalen, de scholier moet klimmen') zeer besteed moet zijn geweest. Concessies aan de gemakzucht en vormen van 'popularisering' waren hem een gruwel, en aan moderne fratsen had hij een broertje dood.

In de laatste editie die hij van het toen al wereldberoemde boek zelf verzorgde (1941, vijfde druk), negeerde hij de intussen ingevoerde nieuwe spelling, dus hij liet 'grooter' afdrukken met een dubbele o, 'beheerschen' met sch, en 'een strakken, vasten levensstijl' met de ooit voorgeschreven naamvals-n. Hij zou ook nooit op het idee zijn gekomen dat bij uitgever en bezorger van de nieuwste uitgave godzijdank wel heeft voorgestaan: alles te doen om voor de tekst 'juist een zo groot mogelijk lezerspubliek te bereiken'.

Zelf zwichtte hij pas bij de derde Nederlandse druk in 1928 voor het opnemen van illustraties. In z'n voorbericht suggereerde hij dat het niet eens z'n eigen wens of initiatief was geweest. 'Het opnemen der illustraties', meldde hij effen, 'brengt het boek in overeenstemming met het uiterlijk dat het verwierf in de Duitsche, Engelsche en Zweedsche bewerking.'

In diezelfde druk had hij - toch eenmaal aan het gedogen - een Tijdtafel toegevoegd, waarvan hij hoopte dat die voor 'sommige lezers een welkom hulpmiddel zou zijn'. Let op het 'sommige'!

Bovendien was van een aantal Franse citaten achterin een vertaling bijgeleverd - kennelijk evenmin een tegemoetkoming die hij zelf nodig had gevonden, want hij excuseerde zich ervoor. 'De Nederlandse lezer', schreef hij, 'zou het als een krenking kunnen opvatten, daar immers het oudere Fransch in het algemeen geringe eischen aan zijn taalkennis stelt.' En om de amende honorable te vervolmaken kwam er nog een rechtvaardiging achteraan, die je ook als een beschaafd smoesje zou kunnen lezen: 'De bedoeling is, hem voor kleine misvattingen te behoeden, waar het spraakgebruik in betekenis of zinswending afwijkt van het hedendaagsche.'

Intussen was de betrekkelijke ontoegankelijkheid van het boek noch met een handjevol illustraties, noch met een tijdtafel, noch ook met de vertaling van moeilijke Oudfranse teksten werkelijk verholpen - zelfs niet voor Huizinga's geleerde vakbroeders, die anno 1919 met de verschijning geen van allen goed raad wisten. Die zullen hun Vlaamse primitieven wel zo'n beetje gekend hebben, die hadden de jaartallen van de eerste Bourgondische hertogen tot en met Karel de Vijfde wel ongeveer in hun hoofd, en die draaiden hun hand niet om voor lastige Franse oorkonden uit veertienhonderdzoveel. Maar ze stuitten op een benadering, een stijl en een methodologie die ze niet kenden, en in hun traditionele academisme eigenlijk ook niet wilden kennen.

Alleen al zo'n eerste hoofdstuk met z'n louter zintuiglijke evocaties - de besloten stad, 'stekelig van talloze torens'; de met hun ratel klepperende leprozen; de kleur van de adellijke heren; 'de wrede prikkeling en de grove vertedering van het schavot'; de etensgeuren en de drekstanken; en over alles heen 'de onmetelijke hoogmoed van Bourgondië' - dat was eigenlijk geen geschiedschrijving, want je wist niet wie de koning was of waar de vijand zich bevond, of hoe de veldslag afliep, dat leek wel literatuur!

De 'ontoegankelijkheid' van Herfsttij school bovenal in het feit dat het nieuw was, dat het in geen enkele school paste. Zoiets als cultuurgeschiedenis werd in Nederland nog nauwelijks beoefend (Busken Huet misschien niet te na gesproken, maar Busken Huet was tenslotte een amateur), en wat later 'mentaliteitsgeschiedenis' zou gaan heten, moest in 1919 nog worden uitgevonden. Ook een bewonderende geestverwant als André Jolles had er moeite mee. 'Dit soort van horizontaalsneden door een tijd', schreef hij Huizinga meteen na ontvangst van een presentexemplaar, 'is niet altijd makkelijk te volgen en te begrijpen. Hoe verstandig het van Huet was, voor iedere periode een representatieve persoonlijkheid te kiezen, ziet men eerst wanneer men Huizinga leest. Zonder twijfel is het een beter soort kultuur historie, die poogt ons de ziel van een tijd te spiegelen buiten de personen om, maar toch. . . er is iets vermoeiends in al die abstracties. Ik voor mij verlang wat meer Figuren te zien.'

Maar Figuren, zal Huizinga hebben overwogen, vertonen niet zelden de neiging het zicht op de historische werkelijkheid met hun specifieke deugden of ondeugden te belemmeren. Ze staan de cultuurhistoricus vaker in de weg dan dat ze hem van dienst zijn bij het begrijpen en doorvoelen van een voorbije tijd.

Vermeldenswaard is in dat verband wat Huizinga in 1925 (in De Gids) schreef naar aanleiding van de Londense voorstelling van Shaws Joan of Arc. Hij was gefascineerd door de Maagd van Orléans, die hij zag als een van de grootste Figuren van haar tijd.

'Zij kan', beëindigde hij zijn driedelige beschouwing, 'slechts in haar onherleidbare eenigheid begrepen worden, met het orgaan van bewogen bewondering. Zij leent zich niet ter opheldering van stroomingen of gedachten van haar tijd. Haar eigen persoon treedt, zoodra men haar geschiedenis aanraakt, volstrekt in het middelpunt. Zij behoort tot die figuren in de historie, die nooit anders dan protagonista kunnen zijn, die altijd hoofdzaak, altijd doel en nimmer middel zijn.'

Waaraan hij - zes jaar na dato! - nog een persoonlijke bekentenis toevoegde.

'Dit', schreef hij, 'is ook de reden geweest, waarom men haar nauwelijks genoemd vindt in het werk, dat ik eenige jaren geleden aan het leven der vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden heb gewijd. Men heeft mij dat wel als een fout aangerekend. Maar het was een weloverwogen, opzettelijke onthouding. Ik wist, dat Jeanne d'Arc het boek dat mij voor den geest zweefde, geheel uit zijn verband zou hebben getrokken. Wat mij weerhield, haar in dat werk te betrekken, was een gevoel voor harmonie, gepaard aan grooten schroom.'

Geen Figuren, maar een besef van de tijd, een besef van het 'levensgevoel' dat in de veertiende en vijftiende eeuw domineerde: dat was wat Huizinga voor de geest zweefde toen hij - al vroeg - aan het reusachtige werk van Herfsttij begon. Hij ging daarbij van een hypothese uit die feitelijk tweeledig was: dat 'de adellijke levensvorm zijn heerschappij over de samenleving heeft behouden lang nadat de adel als maatschappelijke structuur zijn overheerschende beteekenis verloren had'; en dat de Bourgondische cultuur moest worden beschouwd 'niet als de aankondiging der Renaissance, maar als het einde der Middeleeuwen, de middeleeuwsche beschaving in haar laatste levensgetij, als een boom met overrijpe vruchten, algeheel ontplooid en ontwikkeld'.

In wat je het academische beeld van de late Middeleeuwen kunt noemen, was het ridderideaal toen allang verbleekt onder de rijzende zon van de burgerij. Maar, betoogde Huizinga, de tijdgenoot ervoer dat niet als zodanig - en die zat er dus naast. En hij vervolgde: 'Voor het kennen van het cultuurleven behoudt de waan zelf waarin de tijdgenooten leefden, de waarde van een waarheid. Ook al was de adellijke levensvorm niet anders dan een vernis over het leven geweest, dan nog zou het noodzakelijk zijn, dat de geschiedenis dat leven met den glans van dat vernis wist te zien.'

En verder nog: 'De geschiedenis der beschaving heeft evenveel te maken met de droomen van schoonheid en den waan des edelen levens als met cijfers van bevolking en belasting. Een onderzoeker, die de hedendaagsche maatschappij bestudeert uit den groei van banken en verkeer, uit de politieke en militaire conflicten, zou aan het eind van zijn studiën kunnen zeggen: ik heb van de muziek heel weinig gemerkt, die heeft blijkbaar in dezen tijd weinig voor de cultuur betekend.'

Daarin lag het vernieuwende of haast revolutionaire van Herfsttij: in de rehabilitatie, om zo te zeggen, van de (tijdgenoten)waan als instrument om het verleden te begrijpen - om de ware 'historische sensatie' te hervinden. Z'n leven lang heeft Huizinga 'het vermijden van anachronismen' als een eerste vereiste voor de historicus aanbevolen - in Herfsttij slechtte hij de barricaden van onze achterafkennis en brak hij het zicht open op het levensgevoel in de eeuwen van Bourgondië.

Misschien is het geen toeval dat het boek, de reserve van Huizinga's vakgenoten in 1919 ten spijt, in zekere zin meteen 'populair' werd, alvorens de status te verwerven van een standaardwerk voor de moderne mediëvistiek. Vertaald in een kleine twintig talen, en alleen al in Nederland 21 drukken in nog geen tachtig jaar: dat is niet wat je van een strenge, veeleisende en ontoegankelijke leermeester zou hebben verwacht. Hij moet zich er ook zelf over verwonderd hebben, al heeft hij er zich nooit op laten voorstaan.

De vraag of hij met de nu verschenen heruitgave in z'n nopjes zou zijn geweest, moet wellicht ook niet gesteld worden. Voor Huizinga was een beschaving die haar kennis van Van Eyck, Memlinc of Van der Weyden niet meer paraat had, waarin men geen Oudfrans meer zou begrijpen, en het verschil tussen Jan zonder Vrees en Karel de Stoute zou moeten worden uitgelegd, eigenlijk al onvoorstelbaar. In de naar zijn normen culturele armoede van 1997 zou hij waarlijk een anachronisme zijn geweest.

Maar als geen ander wist hij hoe betrekkelijk die dingen zijn. Hij zou toch goedkeurend geknikt hebben bij het monnikenwerk dat Anton van der Lem als tekst- en illustratiebezorger van de nieuwe editie heeft verzet, en waarschijnlijk toch ook wel met instemming langs de onberispelijke reproducties, dus door zijn eigen boek hebben gebladerd - inderdaad als door een even feestelijke als kostbare catalogus.

Jan Blokker

Johan Huizinga: Herfsttij der Middeleeuwen - Studie over levens- en gedachtenvormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden.

Bezorging tekst en illustraties Anton van der Lem.

Contact; 416 pagina's; ¿ 69,90.

ISBN 90 254 2344 2.

Meer over