Alles wat een Cuyp een Cuyp maakt: loom sfeertje, gloedvol avondlicht. Zijn mooiste schilderijen keren terug naar Dordrecht

Aelbert Cuyp: Gezicht op Dordrecht ca. 1655. Beeld
Aelbert Cuyp: Gezicht op Dordrecht ca. 1655.

De meester van de verstilde ijlheid, wordt Aelbert Cuyp vaak genoemd. Steeds weer schilderde hij zijn woonplaats Dordrecht, stad in verval aan de rivier. Vooral in Engeland was Cuyp mateloos populair, en kreeg hij prominente navolgers, toont het Dordrechts Museum.

Veel is veranderd sinds de dagen dat Aelbert Cuyp (1620-1691) erop uit trok om de omgeving van zijn thuisstad Dordrecht te schetsen; veel, uiteraard, bleef hetzelfde. Het licht, om iets te noemen. Hoe het verandert gedurende de dag. U bent niet gisteren geboren, u weet hoe de heldere middag wordt opgevolgd door de gloedvolle vooravond, die weer overgaat in het donker van de nacht, en dat elke vierentwintig uur opnieuw. De laatste fase van de dag, die voor zonsondergang, kennen we als het gouden uurtje, the golden hour. Het is het moment waarop kleuren verdiepen en schaduwen aan gewicht winnen, wanneer jonge mensen naar hun smartphone grijpen om selfies te maken, en fotografen hun kans afwachten. Het moment waarop alles bezield oogt, het glorieuze moment. De zon gooit zijn laatste restje energie eruit, als een hardloper vlak voor de finish. Het was dit moment dat Aelbert Cuyp weergaf op zijn schilderij Gezicht op Dordrecht (ca. 1655), het soort werk dat later een inspiratiebron zou zijn voor de Britse schilder William Turner (1775-1851).

Hiernaast ziet u een reproductie van dat schilderij. Het toont Dordrecht vanuit het noorden, wat betekent: het toont wat we zouden zien als we rond 1647 (toen Cuyp zijn voorbereidende schetsen maakte) vanaf een bootje op de Oude Maas ter hoogte van Papendrecht de blik zuidwaarts zouden wenden. Een middeleeuws aandoende stad onder een zalmkleurige lucht; een rij witte zeilen, opstaand als gevouwen servetten; een stompe toren, opwarmend in het avondrood. Alles wat een Cuyp een Cuyp maakt, tref je hier aan: loom sfeertje, gloedvol avondlicht, kijkdoosachtige opbouw – alles, behalve Cuyps befaamde koeien. Vergeet die koeien, wie Cuyp wil ontdekken heeft hier een goede introductie. Het schilderij, dat waarschijnlijk rond 1800 ons land verliet, en dat sinds jaar en dag te zien is in Kenwood House in Londen, is tijdelijk terug in de stad die het afbeeldt. In de tentoonstelling In het licht van Cuyp. In het Dordrechts Museum.

Die tentoonstelling stond gepland voor het najaar van 2020, maar ja, corona... Het betreft een jubileumexpositie ter ere van Cuyps 400ste geboortedag, 401ste inmiddels, een thematentoonstelling. Het Dordrechts Museum, dat de ambitie heeft om zijn collectie te tonen in een internationale context, presenteert Cuyps werk plus de nawerking ervan. De (overwegend Britse) bewonderaars zijn ook van de partij, Thomas Gainsborough, John Constable en William Turner de meest illustere. De tentoonstelling werd samengesteld door Dordrechts Museum-conservator Sander Paarlberg, die de afgelopen jaren enkele sterke monografische exposities realiseerde, en die bewonderenswaardige kunsthistorische grondigheid weet te koppelen aan een groot talent om spraakmakende bruiklenen naar Dordrecht te krijgen. Ook hier treft men meerdere van zulke ontzagwekkende gaststukken. Gezicht op Dordrecht is niet eens het spectaculairste.

Een jaar of 35 was Cuyp toen hij het schilderde, een man in de kracht van zijn leven. Zijn vader, de veelzijdige Dordtse schilder Jacob Gerritsz. Cuyp, was een jaar of wat eerder begraven. Het was in Jacobs atelier op de Nieuwbrug dat Albert als tiener werd klaargestoomd voor een toekomst als schilder. Hij tekende er voor de achtergronden van zijn vaders portretten. Hij leerde er het vak. Fijne bijkomstigheid was dat hij zijn vaders klanten leerde kennen. Na seniors dood nam junior de studio namelijk over, het zwaartepunt verleggend naar landschap. Lang duurde die solo-carrière niet. In 1658, nog geen 40 jaar oud, trouwde Cuyp een rijke weduwe, en begon aan een tweede loopbaan in de lokale magistratuur. Zijn atelier liet hij vermoedelijk overnemen door zijn pupil, Abraham van Calraet. Zijn eigen kunstproductie kwam rond 1660 abrupt tot stilstand.

Onderwerp-wise werd die gekenmerkt door een geruststellende overzichtelijkheid: koeien, ruiters, meer koeien, vaak figurerend tegen de achtergrond van een hooggelegen stad of ruïne, badend in wat Marcel Proust omschreef als ‘een mist van vaal goud’. Cuyps kijk op zijn geboorteland was poëtisch en idealiserend: de harde realiteit van het leven in de jonge republiek zoekt men op zijn schilderijen tevergeefs. Van de Hollandse koopmansgeest met zijn hardvochtige fixatie op het lucratieve bij hem geen spoor. Aelbert Cuyp schilderde zijn land als een noordelijk arcadië, een zorgeloze plek waar het mechaniek van de seizoenen is vastgelopen rond augustus en de klok stil is blijven staan op 8 uur ’s avonds. Men wil daar wel zijn, ja.

Aelbert Cuyp: Rivierlandschap met ruiter en vee, ca. 1655-1660. Beeld
Aelbert Cuyp: Rivierlandschap met ruiter en vee, ca. 1655-1660.

Dordrecht was een terugkerend onderwerp bij Cuyp. Zeker, hij schilderde ook gezichten op andere plekken, zoals Nijmegen en Utrecht, en het Duitse Rijndal, maar het is de stad aan de Merwede die op zijn schilderijen het vaakst terugkeert. Apart genoeg zijn het altijd gezichten op Dordrecht. Nooit ín. Zo’n semi-panoramisch werk stelde Cuyp in staat om een heleboel herkenbare gebouwen in één keer weer te geven, wat wellicht tegemoet kwam aan gevoelens van burgerlijke trots van zijn potentiële klanten, wat de schilderijen mogelijk weer beter verkoopbaar maakte. Bij deze stadsgezichten hechtte Cuyp zichtbaar aan waarheidsgetrouwheid, maar in welke mate?

Om daarvan een indruk te krijgen begeven conservator Sander Paarlberg, die net als Cuyp in Dordrecht woont, en ik ons op een bijna windstille donderdagnamiddag in september naar de plek waar Cuyp destijds zat te schetsen. Omdat die plek in het water ligt, bewegen we ons per motorboot, een vriend van Paarlbergs zoon beheert het roer. We bevaren de Dordtse binnenstad in zuidwestelijke richting: vanuit de Wijnhaven, waar ooit, lang geleden, het Dordrechts Museum was gevestigd en waar Cuyp een tijdje woonde, gaan we richting Stadhuis. Vandaar varen we langs de Oude Kerk de Oude Maas op.

De meteorologische omstandigheden zijn suboptimaal. Dagenlang toonde de weerapp enkel zonnetjes, maar de dag voor vertrek kregen die gezelschap van dreigende wolkjes, waarvan vanochtend enkel die wolken resteerden. De lucht boven Dordrecht is onwrikbaar grijs. So much voor de hoop op een Cuypiaanse zonsondergang.

Dordrecht, vertelt Paarlberg, terwijl het bootje langs rottende gevels vaart die de schilderijen van Willem Witsen uit de 19de eeuw in herinnering roepen, gold in de tijd van Cuyp als een stad op zijn retour. Het was hard op weg voorbijgestreefd te worden door Rotterdam. De privileges en extra belastingen waar het als Hollands oudste stad lange tijd aanspraak op had gemaakt deden het de das om. Het werd letterlijk omzeild.

Aelbert Cuyp: De Maas bij Dordrecht, ca. 1650. Beeld
Aelbert Cuyp: De Maas bij Dordrecht, ca. 1650.

Een vruchtbare plek voor een kunstenaar om zijn praktijk op te zetten was het daardoor allerminst. De vette kleigrond van Dordrecht, schreef de 18de-eeuwse schrijver Jacob Campo Weyerman, was goed om kunstenaars te kweken, maar niet om ze vast te houden. En inderdaad: de geboren Dordtenaren Nicolaas Maes, Samuel van Hoogstraten en Ferdinand Bol vlogen op jonge leeftijd uit om in Amsterdam in de leer te gaan bij Rembrandt, en verhuisden vaak voorgoed. Dat Aelbert Cuyp wel bleef, kwam door zijn korte loopbaan. Voordat de opdrachten echt opdroogden, had hij een carrièreverandering gekozen, zegt Paarlberg, terwijl we de Oude Maas naderen.

Nu bevaren we de rivier, de Oude Kalkhaven in ons kielzog latend. Voor ons, in het midden van het water, scheert een school wilde ganzen rakelings langs een waterbus. Aan onze rechterhand ligt Dordrecht met zijn statige huizen met de karakteristieke boven het water zwevende Maaskamers. Daartegenover: Zwijndrecht, niets dan eenvormige nieuwbouw. Het gaat noordwaarts, richting de Beneden Merwede. Zich oriënterend op de op Cuyps schilderij afgebeelde Groothoofdspoort en Grote Kerk, loodst de stuurman ons naar de plek waar de schilder destijds ongeveer moet hebben zitten tekenen. In een rechte lijn. Zonder oponthoud.

Drie mannen op een bootje die voorzien van een koeltas met bier, kaasstengels en olijven op hun dooie gemakje richting hun bestemming tuffen. Moby Dick it ain’t.

De bewuste kade blijkt sinds de tijd van Cuyp amper veranderd. Nog altijd priemt de toren van de Groothoofdspoort op de kop van het bolwerk de lucht in, nog altijd verbindt de Boombrug de oost- en westkant. Het enige wat anders is zijn de schepen, die tegenwoordig niet meer aanmeren aan het Groothoofd, maar aan de verderop, binnen de oude stadswal, gelegen haven, tegenwoordig betreffen het trouwens vooral plezierboten en jachten. Maar ook zonder die schepen lijkt het allemaal sterk op wat Cuyp indertijd zag.

Als esthetische ervaring stelt dat enigszins teleur. Je zou zo langzamerhand moeten weten dat het leven en kunst verschillende dingen zijn, en dat die eerste het bij een vergelijking bijna altijd aflegt tegen die tweede, maar toch: het echte gezicht op Dordrecht is een schrale versie van die van Cuyp. Pietepeuteriger vooral. De echte kade is een kaboutervariant van die op Cuyps schilderij, wat eraan herinnert dat het scheppende oog op het gewone voor heeft dat het dingen kan uitvergroten en weglaten, waaronder veel saai water op de voorgrond. Wat ook ontbreekt zijn de veranderlijke elementen van het schilderij: de spiegelingen van boegen, de gebeeldhouwde wolken, het warme namiddaglicht. Met name dat vanillekleurige schijnsel laat zich missen. Het is dat licht dat iets Cuypiaans maakt. Maar wat voor licht zien we nu precies op Gezicht op Dordrecht?

Het is geen tegenlicht. We zien hier niet het licht van Claude Lorrain, bij wie een zich achter nevelsluiers schuilhoudende zon ons recht in de ogen schijnt, onderweg bomen en mensen dichtschroeiend tot silhouetten met goud oplichtende vetrandjes. Cuyps licht is een ander licht. Het is licht dat van buiten de lijst zijdelings het beeld binnenvalt, contre jour noemen de Fransen dat, verkeerd licht. Het schampt langs wolken, kerktorens en schepen, trekt hen los uit de achtergrond, laat het stadsgezicht winnen aan ruimtelijkheid. Het is licht dat individuele kleuren naar elkaar toe trekt. Niet verblindend: verbindend.

Iedere kunsthistoricus weet hoe Cuyp aan dat licht kwam: hij had het uit Italië. Niet dat de schilder daar had gewoond, of er zelfs maar met vakantie was geweest: Cuyp kende het Italiaanse licht uit de tweede hand. Hij zag het op de schilderijen van Jan Both, Nicolaas Berchem en Jan Asselijn, die wel in Rome hadden gezeten. Zij openden Cuyps ogen voor de voedende kracht van het licht, dat hij vervolgens liet schijnen op zijn vertrouwde omgeving. Zijn accuratesse werd geroemd. Arnold Houbraken beweerde zelfs dat men bij Cuyp aan de kleur van de lucht kan zien of men te maken heeft met de ‘benevelden morgenstond’, ‘den klaren middag’ of ‘den safraan vervige avondstond’. Dat klopt. Op Gezicht op Dordrecht kunnen we uit het roze licht gecombineerd met de kennis dat de zon ondergaat in het westen bijvoorbeeld opmaken dat we kijken naar een zonsondergang, geen -opkomst. De wijzers op de kleine klokkentoren bevestigen dat: vijf voor vijf.

Aelbert Cuyp: Rivierlandschap met ruiter en vee, ca. 1660. Beeld
Aelbert Cuyp: Rivierlandschap met ruiter en vee, ca. 1660.

We kijken dus naar een specifiek moment van de dag: het einde. Het werk is gedaan, de mensen keren huiswaarts, een fase van rust breekt aan. Zo ligt de haven er ook bij: in ruste. De boten zijn aangemeerd, de zeilen neergehaald. Het koopvaardijschip dat Cuyp als middelpunt gebruikt, ligt voor anker. Vermeer wordt vaak de meester van de stilte genoemd, maar Cuyp is de meester van de verstilling. Hij schildert wat aan de stilte voorafgaat: het tot stilstand komen. Wie zijn werk bekijkt, voelt iets in zichzelf ook verstild raken.

Wie zeker niet stilstonden waren 18de-eeuwse Britse verzamelaars. Zij beschouwden Cuyp als The Dutch Claude, wat zo’n beetje de eervolste bijnaam voor een schilder denkbaar was, en begonnen zijn werk gedurende die eeuw in bulk naar Engeland te halen. In de tweehonderd jaar na Cuyps dood werden er hele ‘scheepsladingen’ van zijn schilderijen verplaatst naar de landhuizen van allerlei Britse lords en earls. Die lange uittocht is de reden dat we vandaag de dag in Amsterdam wel een Albert Cuypstraat en -markt hebben, maar dat men zijn schilderijen in onze musea met een lantaarntje moet zoeken.

Het is ook de reden dat Cuyp buitenproportioneel veel Britse bewonderaars en imitators kende, waaronder Joseph Mallord William Turner. Wat deze nukkige Londense kapperszoon in het bijzonder bewonderde aan Cuyp was zijn weergave van allerlei atmosferische effecten. ‘Cuyp, sprak Turner tijdens een van zijn lezingen aan de Royal Academy, waar hij professor of perspective was, ‘knew where to blend minutiae in all the golden colour of ambient vapour.’

Augustus Wall Callcott: The Entrance to the Pool of London, 1816. Beeld
Augustus Wall Callcott: The Entrance to the Pool of London, 1816.

Die verstilde ijlheid – dat wilde Turner zelf ook, want bewondering ging bij hem meestal gepaard met wedijver. Ook in het geval van Cuyp. Ook hem wilde de productieve Engelsman naar de kroon stelen – dat zijn mede-Royal Academist Augustus Wall Callcott al een veel geprezen hommage aan Cuyp had geschilderd, maakte hem des te fanatieker. Dat werk van Callcott, The Entrance to the Pool of London, werd onthuld in 1816. Het jaar erop zat Turner in Dordrecht. Hij had een sketching trip naar het slagveld van Waterloo gemaakt, en deed op de terugweg Cuyps stad aan. Hij logeerde in Rotterdam, en nam ’s ochtends beurtschip De Zwaan naar Dordt, waar hij de dag spendeerde, schetsboek in de ene zak, flesje gin in de andere, vaardige krabbels makend van wat zijn oog trof. In de Kalkhaven: de spiegel van een Statenjacht. Voor de Grote Kerk: soldaten. Op de Aardappelmarkt: de Grote Kerk en de aangemeerde schepen. De in verval verkerende stad beviel Turner. Minstens drie keer keerde hij er terug.

William Turner : The Dort Packet Boat from Rotterdam becalmed. Beeld
William Turner : The Dort Packet Boat from Rotterdam becalmed.

Maar het eerste bezoek was het belangrijkste. Niet lang erna begon Turner namelijk aan het schilderij dat geldt als een van zijn onbetwiste meesterwerken, The Dort Packet Boat from Rotterdam becalmed. De schilder wiens naam synoniem is met sneeuwstormen en schipbreuken toont zich hier van zijn kalmste kant. The Dort Packet Boat..., dat niet direct was geïnspireerd op Gezicht op Dordrecht, maar op een verwant (ongewoon levendig) stadsgezicht bij ochtendlicht: De Maas bij Dordrecht, toont een vol passagiersschip op een spiegelgladde, roomkleurige Maas onder gesmolten mozarella-wolkjes. Het is een schilderij dat niet gemaakt had kunnen worden zonder Cuyps voorbeeld, wat niet betekent dat het een tweedehands schilderij is. Turner nam zijn eigen kwaliteiten mee. Hij haalde Cuyps gloedvolle illusionisme door de proto-impressionistische mangel. De atmosfeer is bij hem nog levensechter, de illusie van gefilterd zonlicht nog sterker. De dieptewerking nog vanzelfsprekender. ‘Hij wist, zo zeker alsof een engel het hem had verteld’, schreef Turners eerste biograaf later over The Dort Packet Boat, ‘dat hij Cuyp had overtroffen’. Bombastisch verwoord, maar niet onwaar.

In het licht van Cuyp: Aelbert Cuyp & Gainsborough – Constable – Turner, Dordrechts Museum, t/m 6/3.

Catalogus: Marlies Enklaar en Sander Paarlberg (red.), In het licht van Cuyp, Dordrechts Museum / WBOOKS; 240 pagina’s; € 29,95.

J.M.W. Turner: Vier aanzichten vanaf de Merwede met de ruïne en ‘Cyp’ (Cuyp) en ‘Cows’, Holland Sketchbook, 1825. Beeld
J.M.W. Turner: Vier aanzichten vanaf de Merwede met de ruïne en ‘Cyp’ (Cuyp) en ‘Cows’, Holland Sketchbook, 1825.

Door de ogen van Cuyp

Turner zag Dordrecht echt door de lens van zijn Hollandse held, wiens naam, zo zien we op de schetsen, hij afwisselend spelde als ‘Cyp’, ‘Cypp’, ‘Cup’ en ‘Cuyp’. ‘Small Cuyp scuyt’ pende hij neer bij een bootje dat hem kennelijk aan Cuyps schilderijen deed denken. ‘Quite a Cuyp’ noteerde hij bij een groep koeien voor een ruïne. Ook later zou hij bij bepaalde landschappen of kleuren aan Cuyp blijven denken. Tien jaar na zijn eerste trip naar Dordrecht schreef hij bijvoorbeeld ‘Cyp’ bij een schets van een brug over de Thames.

J.M.W. Turner: Snelle krabbel met de Grote Kerk van Dordrecht en 'Dort' en 'small Cuyp scuyt' uit Rotterdam Sketchbook, 1835. Beeld
J.M.W. Turner: Snelle krabbel met de Grote Kerk van Dordrecht en 'Dort' en 'small Cuyp scuyt' uit Rotterdam Sketchbook, 1835.

Turner goes Dutch

Cuyp was niet de enige Hollandse meester die door Turner werd bewonderd. Ook onder anderen Rembrandt, Van de Velde, Ruysdael en Van Goyen had Turner hoog zitten. Hun schilderijen bestudeerde hij nauwlettend. De mannen zelf figureerden in zijn dagdromen. Port Ruysdael noemde hij een van zijn zeegezichten. Van Goyen Looking Out for a Subject, heette een andere hommage.

Meer over