Alles met eigen ogen gezien De geschilderde jazz van Stuart Davis

Hij had dezelfde leermeester als Edward Hopper, maar anders dan zijn beroemde collega heeft de Amerikaanse schilder Stuart Davis nooit een bijzondere reputatie verworven....

OP 17 FEBRUARI 1913 - niemand die het bij zijn volle bewustzijn heeft meegemaakt is nog in leven - opende aan Lexington Avenue, ter hoogte van de 25ste straat, in New York de grootste tentoonstelling van moderne kunst in de geschiedenis, de International Exhibition of Modern Art. Dat gebeurde in de Sixty-Ninth Regiment Armory, een gebouw dat de tentoonstelling haar onofficiële naam gaf: Armory Show.

Het meeste opzien baarde het schilderij Nu descendant un escalier van de relatief onbekende Fransman Marcel Duchamp. Bronnen hebben het over bezoekers die plotseling door een zenuwachtige aanval van gegiechel werden besprongen, en in de correspondentie tussen Arthur Davies, de man die de expositie had bedacht, en de Amerikaanse oud-president Theodore Roosevelt is van deze laatste de opmerking te vinden dat het schilderij met evenveel recht 'A well-dressed man going up a ladder' had kunnen heten.

Hoe dat ook zij, de betekenis van deze manifestatie was, gemeten naar contemporaine maatstaven, van een niet eerder vertoond kaliber. Voor het eerst was het Amerikaanse publiek in staat het volledige spectrum van de late negentiende en vroege twintigste eeuw te overzien: Corot, Courbet, Manet, het impressionisme, het postimpressionisme, Picasso, Braque, Picabia, Kandinsky, Kirchner, Matisse, Munch. En voor het eerst waren Amerikaanse kunstenaars in de gelegenheid waar te nemen tot welke prestaties hun Europese collega's in staat waren, nadat ze de beperkingen van het academisme van zich hadden afgeschud. De expositie ging, in de woorden van een Amerikaanse schilder, als een spastische siddering door het provinciale Amerikaanse kunstleven.

De schilder in kwestie was Stuart Davis, in 1892 geboren in Philadelphia en sedert enkele jaren actief in Greenwich Village. Hij had het vak geleerd onder de schilder Robert Henri, die ook als leermeester optrad voor Edward Hopper. Maar anders dan Hopper, werd Davis niet wereldberoemd.

Of de reputatie van Davis met het overzicht dat in samenwerking met de Guggenheim Foundation nu in het Amsterdamse Stedelijk Museum is ingericht, definitief zal zijn geretoucheerd, is niet voor honderd procent waarschijnlijk. Daarvoor is die reputatie ook in Amerika zelf nog onvoldoende stevig, getuige bijvoorbeeld de ietwat verdedigende toon die opklinkt zodra Davis' werk wordt geanalyseerd.

In een monografie, twee jaar geleden gepubliceerd door Patricia Hills, zijn het lang niet altijd de meest zakelijke argumenten die worden gekozen om de artistieke betekenis te bewijzen. Hills verwijst veelvuldig naar Davis' intensieve omgang met de jazzmuziek en met de producten van de meer populaire en alledaagse cultuur, alsof daarmee zijn positie als kunstenaar onomstotelijk wordt aangetoond. En in de catalogus die bij het Amsterdamse overzicht is gemaakt, wordt meer dan eens gesuggereerd dat Davis niet de waardering geniet waarop hij recht heeft, als gevolg van de veel royalere aandacht die de na-oorlogse Amerikaanse generaties hebben gekregen.

Een plausibele verklaring voor dit alles zou kunnen zijn dat Davis in zijn ongeveer zes decennia lange loopbaan enkele forse stijlveranderingen heeft doorgemaakt die zich niet met het allereenvoudigste gemak tot hetzelfde persoonlijke handschrift laten herleiden. Zoals de letterlijke gedaante van zijn signatuur een paar keer krachtig verandert, zo werpt Davis ook de huid van zijn stijl van zich af: er zit systeem in, maar het is eerder een systeem van seizoenen dan van logische stadia in een evolutie.

'In the beginning', schreef de Britse filosoof John Locke, 'all the world was America.' Het vroegste werk, de eerste zaal van de tentoonstelling, bestaat uit beelden van New York: een drogisterij aan Bleecker Street, een music hall, het uitladen van steenkolen op een ondergesneeuwd negentiende-eeuws plein. Als Breitner in New York had gewoond, zo lijkt het, dan zou het resultaat niet essentieel hebben afgeweken.

Anders wordt het zodra Davis in 1913 de Armory Show heeft gezien. Het lijkt erop dat hij diverse alternatieven op hun gebruikswaarde onderzoekt. Er ontstaan schilderijen in de geest van Edvard Munch en Vincent van Gogh, en nog weer wat later in die van Picasso en Braque. In 1918 maakt Davis een schilderij, getiteld Multiple Views (niet op deze tentoonstelling), waarin hij diverse landschappen en voorstellingen naast en over elkaar monteert, ongeveer op de manier waarop dat gedaan werd op publiciteitsaffiches voor internationaal treinverkeer.

Dan, vanaf 1921, schildert Davis voorstellingen die met recht als modernistisch kunnen worden gekarakteriseerd, vooral vanwege de rechtstreekse verwijzingen naar alledaagse en eigentijdse gebruiksartikelen: sigarettenmerken, flesjes mondwater van het fabrikaat Odol, opschriften op gebouwen, eierkloppers. De invloed van het kubisme (het is duidelijk dat Davis naar een Amerikaans equivalent heeft gezocht voor het frequente woord 'Journal' bij Braque en Picasso) is vooral in die eierklutsers het sterkst - er ontstaat een serie waarin het apparaat steeds verder in fragmenten en meervoudige gezichtspunten wordt uitgesplitst, net zolang tot er een formeel niet meer herkenbare voorstelling overblijft.

Maar vervolgens blijkt Davis voor een al te rigoureuze afdaling in de abstractie toch te veel gebonden aan de omringende werkelijkheid. Als hij eind jaren twintig een bezoek aflegt aan Parijs en een paar voorstellingen maakt van het Place des Vosges, is het resultaat eerder traditioneel: hem interesseren de vlakverdelingen van de gevels, de balkonhekken, de opschriften, en geen poging wordt gedaan deze naar kubistische of andere inzichten te reorganiseren. Ook letterlijk: een geplande ontmoeting tussen Davis en Picasso wordt afgezegd. Van enigerlei serieuze beïnvloeding door het surrealisme lijkt geen sprake te zijn.

Daarvoor acht Davis zichzelf ook te veel de vertegenwoordiger van wat hij zelf als realisme beschouwde. Critici die hem indeelden bij de abstracte kunst, konden rekenen op een ingezonden brief. 'Every direction, colour position, size and shape in my pictures - all the serial configurations - are designed in accordance with something I have seen, and wanted to capture in art, in the world in which we live', schrijft Davis nog in 1942 aan de redactie van de New York Times.

Maar of die argumentatie door iedereen zonder mankeren kan worden nagevoeld - dat is vooral een theoretische kwestie. Veel van wat Stuart Davis vooral in de jaren veertig en vijftig tot stand brengt, heeft in de eerste plaats een sterk decoratieve en daardoor betrekkelijk onverplichtende uitstraling. De ambitie, bij herhaling geformuleerd, om een visueel equivalent te vinden voor de patronen en motieven uit de jazzmuziek - het is geen waarborg tegen de lichtelijk naïeve goedgelovigheid die opstijgt uit sommige composities, vooral diegene die met een kennelijk vertrouwen in de eigen trefzekerheid tot stand zijn gebracht. Bepaalde soorten behang uit de jaren vijftig, die sfeer.

Rondom een schilderij uit 1954, getiteld Colonial Cubism, zijn twee uitspraken overgeleverd, die in hun tegenstrijdigheid zowel illustratief zijn als ook ontwapenend. In 1953 schrijft Davis dat hij strikt genomen geen Amerikaans maar een Europees kunstenaar is, om preciezer te zijn: een Fransman die verbannen is naar de culturele woestijn die Amerika is. En in de tweede uitspraak, een paar jaar later, karakteriseert hij zijn werk als exclusief Amerikaans: als de stemmer van een muziekinstrument herstemt hij het geschetter van Amerika, zodat het harmonisch opgaat 'in de historische elegantie van de Kunst'.

Los, geïsoleerd beschouwd zijn beide mededelingen absurd. In combinatie vormen ze een denkfout - ze dalen de trap af en beklimmen die tegelijk. En alleen in de context van de Amerikaanse cultuur kan deze contradictie door de vingers worden gezien.

Stedelijk Museum, Amsterdam: Stuart Davis. Tot en met 29 maart.

Philip Rylands (red.): Stuart Davis. Electa, ¿ 75.

Patricia Hills: Stuart Davis. Harry N. Abrams, Inc., ¿ 130,90.

Meer over