Alleen het allerhoogste

Het oeuvre van Charley Toorop is eigenlijk nooit vernieuwend geweest en kent geen navolgers, kun je met verbazing vaststellen in museum Boijmans Van Beuningen....

De kunstenaar is er nog in den lijve, maar in de geest stapt ze het leven uit. Zo zagen ze eruit, Charley Toorop en haar zelfportret, toen Ed van der Elsken ze in juni 1955 fotografeerde. In Vrij Nederland verscheen een Bibeb-interview met haar. Charley Toorop zit op de foto rechtop, de lange benen over elkaar geslagen, in een zomerse strepenjurk. Een oude dame, zeker, maar volop aanwezig en met de touwtjes in handen – ze stuurt Bibeb eerst een paar uur de duinen in voordat ze haar te woord wil staan. Staccato pratend door de hersenbloedingen die ze had gehad, maar beslist: ‘Wil is alles.’

Het net voltooide portret naast haar op de schildersezel is een aangekondigde dood. Een oude vrouw, met grote glazige ogen. Achter haar een donker gordijn, half open geschoven naar een winters kaal bosje. Het grijze haar als een pluizige halo om het hoofd. Omkijkend vanaf een schildpaddenhals die uit een donker colletje plooit. Hard, beslist, afwerend. Ik ga, zegt dat gezicht. Tabee.

Een paar maanden later overlijdt ze.

We zijn ruim een halve eeuw verder. Charley Toorop is de belangrijkste vrouwelijke kunstenaar in het Nederland van een flink deel van de vorige eeuw gebleken. Dat Boijmans Van Beuningen in Rotterdam een groot retrospectief aan haar wijdt, is sowieso terecht. Het museum kocht bovendien in mei dit jaar een bijzonder zelfportret uit 1928 – een sleutelstuk, waarmee het leven van de schilder vrijwel in zijn geheel in zelfportretten bekeken kan worden. Maar betekent haar werk of zijzelf anno nu, behalve als monument, ook nog iets?

Gezien het feit dat haar alles verzengende streven een goed schilder te worden haar leven (1891-1955) beheerste, wilde ze dat zelf wel. ‘Wat groot is, blijft. Andere zakt weg’, zei ze in haar laatste interview.

Op de afgelopen weekend geopende overzichtstentoonstelling Vooral geen principes! is te zien of dat zo is. Kunsthistorica Marja Bosma, Toorop-specialist, maakte al eerder tentoonstellingen met het werk van de kunstenares, maar kan nu echt goed uitpakken in een overzicht van 113 schilderijen (uit een oeuvre van circa 400).

Alle belangrijke werken zijn aanwezig: het grote doek De drie generaties, de groepsportretten de Bremmer-groep (1938) en Maaltijd der vrienden (1933), de portretten van boeren rond de kachel of aan de toog (1928, 1933), de oude clown voor een kapot geschoten Rotterdam (1940), vele kinderportretten. En natuurlijk de genadeloze zelfportretten, vrijwel altijd frontaal, streng, als de amazone van de schilderkunst. Dat is de Charley Toorop zoals ze de geschiedenis in is gegaan: het gezicht een beeldhouwwerk van vlakken, de verticale frons al jong in het voorhoofd gegrift, de te grote starre ogen, de neus vooruit als de boeg van een fregat.

Maar ook is er een ruime keuze aan stadsgezichten, havengezichten, stillevens, bloeiende en kalende takken en bomen, die een veel completer beeld geven van de kunstenaar dan alleen maar ‘koppen en ogen, ogen en koppen’, zoals zij volgens Marja Bosma iets te beperkt wordt samengevat. Samen met de catalogus, waarin Toorops woeste levensloop op een niet-sensationele manier uit de doeken wordt gedaan, brengt de tentoonstelling het oeuvre weer tot leven.

En wie dat allemaal ziet en leest, kan met verbazing concluderen dat dat oeuvre nooit vernieuwend is geweest en geen navolgers heeft gekend. Het is, zoals kunsthistoricus Hammacher in een postuum schreef, ‘eenzaam gebleven’. En toch, ondanks dat, is het belangrijk werk en blijkt Charley Toorop opnieuw een belangwekkende figuur – om redenen die haar zelf misschien te buiten gaan.

Eerst dat oeuvre. De tentoonstelling presenteert slim eerst een zaal met hoogtepunten en verschillende stijlen, en loopt dan in kleinere zalen chronologisch naar het einde van Toorops leven. Die zaal is veel meer dan een eindpunt: op het einde van haar leven was Charley Toorop tot de essentie gekomen en was elk schilderij raak. Zelfportretten, een winters uitzicht, een simpel stilleven van een roestig olieblik en twee lampen – het staat allemaal als een huis, de streek is trefzeker, het kleurenpalet uitgebeend tot wat ze nodig had en geen greintje meer. Zelfs de diepte, haar eeuwige zwakke punt, lijkt ze te beheersen.

Natuurlijk hangt er de meesterproef waar ze jarenlang met tussenpozen aan werkte: het portret van de drie generaties (1941-1950), waarin ze vader Jan Toorop (verpersoonlijkt door een bronzen kop van beeldhouwer Raedecker), zichzelf en zoon Edgar Fernhout neerzette met op de achtergrond de spijlen van het atelierraam. ‘Aan het kruis genageld’ zoals ze zelf zei, aan het kruis van de schilderkunst. Het kleine zaaltje bewijst dat een kunstenaar op het einde van zijn leven wel degelijk nog een reuzenstap kan nemen.

Maar als iets ook snel duidelijk wordt, is het wel dat Charley Toorop geen groot vernieuwer was. Luminisme, symbolisme, Bergense School, van Gogh-adoratie, abstractie, expressionisme, Blaue Reiter, Nieuwe Zakelijkheid – het loopt allemaal keurig met de tijd mee door in Toorops stijl. Niet dogmatisch, zo zou je het positief uit kunnen leggen – de tentoonstelling draagt niet zomaar het motto ‘Vooral geen principes!’, een schilderkunstig uitgangspunt dat ze ooit in een briefje aan Paul Citroen zo verwoordde. Maar ze waaide ook, zij het als een stug vaantje, met alle winden mee.

Als de abstractie opkomt en de kunstwereld verdeelt, schaart ze zich aan de kant van de ‘realisten’. Als de Nieuwe Zakelijkheid zijn intrede doet, omarmt zij die. Ze bewondert Van Gogh en gaat óók naar de Borinage om te schilderen. Ze ziet Picasso en wil in navolging van hem van haar oude, sombere stijl af. Ze is waarschijnlijk moderner in haar interieursmaak (die is ‘meedogenloos, schaduwloos en verledenloos’, verzucht de dichter Adriaan Roland Holst in 1926) dan in haar schilderijen. Die moeten niet zozeer vernieuwend zijn, alswel ‘bezield’ – en wat ze van heersende stijlen kon gebruiken, gebruikte ze.

Sommige dingen houden stand. Mooi is hoe ze bepaalde technieken uit haar begintijd – het met korte toetsen kleur schilderen van ‘stralenkransen’ om de voorwerpen en de mensen heen – veel later weer gebruikt om haar of kleding een ruige borsteligheid te geven. Wat ook blijft, is het studeren. Hier is echt een schilder op zoek, per schilderij wroetend, naar de juiste uitdrukking – en passant ook nog ploeterend langs elk jaar weer dezelfde bloesemtakken en bomen, die ze nooit echt goed in de vingers krijgt. Ze is al bijna 40 wanneer ze zich voorneemt om weer ‘van onderaf’ te beginnen, ‘héél eenvoudig bloemen handen en menschengezichten bestudeeren’. En dat doet ze. Tinnen kannen, flessen, gebutste appels, bloesem, steeds maar weer.

Maar uiteindelijk, ook al willen de tentoonstellingsmakers het misschien anders, zijn het toch echt de ‘koppen en ogen’ die vooral beklijven . Een portret (zelfs de minder geslaagde kinderportretten, die haar de crisisjaren dertig door sleepten) van Charley Toorop is altijd onmiskenbaar eigen, van háár. Van de hoeren in de achterbuurten van Parijs tot de elitaire kringen rond kunstmecenas H.P. Bremmer, en van zichzelf tot zichzelf: er is niemand voor of na haar geweest die ermee weg kwam de koppen zo krap en opgepropt in de ruimte te zetten, die maling had aan onderlinge schaalverhouding en diepte, die haar portretten sociaal-realistische helderheid meegaf zonder een karikatuur te maken. Je kunt ze somber of agressief vinden, maar ze kunnen de geschiedenis wel aan.

Maar er is meer. Charley Toorop staat inmiddels ook voor een uitgestorven kunstenaarstype. Misschien niet zo dominant als het type Vincent van Gogh (genie, arm, gek geworden) of het type Picasso (genie, omnipotent, levensgenieter, wereldster) maar als een combinatie van die twee: dominant, doorzetter, rücksichtslos en serieus op het religieuze af – zij stelde de schilderkunst bovenaan. Tot ver in de jaren vijftig werd haar kunst steevast ‘mannelijk’ genoemd. Of ze nu een solotentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam had of op een groepstentoonstelling tussen mannelijke of juist vrouwelijke collega’s hing; Charley Toorop was, zo vonden de critici, vooral one of the boys.

Dat lag aan haar krachtige schilderijen, maar ongetwijfeld ook aan haar levenswandel. Als dochter, enig kind bovendien, van de zeer bekende Jan Toorop groeide ze op tussen kunst en kunstenaars. Vroeg getrouwd en ook snel weer gescheiden van de drankzuchtige filosoof Henk Fernhout, zette ze haar leven en dat van haar kinderen John, Edgar en Annetje volledig in dienst van haar schilderwerk – waarbij de kinderen mee verhuisden naar Amsterdam, Utrecht, Rotterdam, Parijs of Schoorl, als ze al niet voor korte of langere tijd moesten verdwijnen, naar grootouders, vrienden of kostschool.

Met haar achtergrond en voor een vrouw zeer vrijgevochten positie, speelde ze al snel een rol in de Nederlandse kunstwereld, die in het interbellum nog zeer overzichtelijk was en waarin men elkaar in binnen- en buitenland hielp. Ze was bevriend met Gerrit Rietveld, Piet Mondriaan, Bart van der Leck, de Raedeckers, Carel Willink, en had diverse beroemde minnaars zoals de dichters Hendrik Marsman en A. Roland Holst, de schilder Pyke Koch, de musicus en surrealist Mesens, en de oprichter van het roemruchte blad i-10, Arthur Müller-Lehning.

‘ ’t Is altijd weer dat: de strijd tussen vrijen en werken. Samen gaat haast niet’, schreef ze in 1924 aan Marsman, om zo een einde te maken aan de verhouding – minnaars moesten uiteindelijk altijd wijken, de kunst ging voor.

Toen ze in de Tweede Wereldoorlog, 50 inmiddels, uit haar huis en atelier in Bergen werd geëvacueerd, ging ze er af en toe toch clandestien heen om te schilderen. Toen ze een attaque kreeg in 1946, en later nog één, leerde ze zichzelf tegen de klippen op weer een beetje praten – en bleef schilderen.

Het is, al met al, een supervrouw avant la lettre geweest naar Heleen Mees-achtige maatstaven. Geen wonder dat door de tijd heen zoveel feministen met haar werk wegliepen.

Zelf ging ze ook prat op haar onafhankelijkheid, en keerde zich scherp tegen ‘steun’ aan kunstenaars. ‘Mens moet werken voor z’n brood. Krijgen is de pest!’, fulmineerde ze ook nog in haar laatste interview. Waarschijnlijk was de BKR-regeling (waarbij kunstenaars tussen 1956 en 1987 in ruil voor een uitkering werk bij het Rijk konden inleveren), die het jaar daarop werd ingesteld toen al onderwerp van gesprek.

Wat ze gemakshalve vergat, was dat zíj opgegroeid was in de ideale bedding voor een kunstenaar en tot zijn dood in 1927 door haar vader gesteund was – met toelages, een kindermeisje, een huishoudster en uiteindelijk een huis-met-atelier (het beroemde huis De Vlerken van architect Piet Kramer) in Bergen. Hoewel ze zakelijk gezien ook haar mannetje stond, waren het later kunsthandelaars en mecenassen die haar door moeilijke tijden heen hielpen.

Ze was, kortom, representant van een kunstenaarsmilieu van vóór de grote democratiseringsgolf, waarin familie- en eliteverbanden door de overheid werden overgenomen. De juiste persoon in het juiste tijdperk en op de juiste plaats, want ze was geconcentreerd, drammerig en egocentrisch genoeg (wat toen mannelijk werd genoemd voor een vrouw) om die bedding ten volle te gebruiken voor haar kunst, het uiteindelijke doel. Ook al trok Charley Toorop de mijnwerkersstreek in of schilderde ze een boerenvrouw; het is zeer elitair werk omdat het kunst is voor niemand behalve voor de kunst zelf, het allerhoogste.

Dat is nu ver verleden tijd. Kunstenaars staan sinds de jaren zestig veel meer in de wereld – ook een schilder als Marlene Dumas, de enige vrouwelijke schilder die je als haar erfgename zou kunnen zien. Omdat die wereld veranderd is; omdat de markt, de kunstwereld en de overheid veranderd is en andere vragen stelt; omdat kunst een veel diffuser begrip geworden is.

Een oeuvre zo koppig, zo onverstoord, af en toe zo mislukt en zo onafhankelijk van allerlei commissies te kunnen ontwikkelen als Charley Toorop heeft kunnen doen, is nu bijna niet meer mogelijk. Wat toen een zwaar bevochten voortrekkersrol was, is nu een luxe-positie uit de verleden tijd. Kijk die oude dame maar eens in de vastberaden ogen en voel het heilige vuur – soms is dat een beetje jammer.

Meer over