Boekrecensie

Alleen al de beeldspraak maakt de oorlogsreportages van Curzio Malaparte het aanbevelen waard ★★★★☆

De gebundelde oorlogsreportages van Curzio Malaparte zijn uitzonderlijk door hun literaire kracht. In sommige opzichten doen de verslagen van het Sovjet-front niet onder voor zijn meesterlijke oorlogsroman Kaputt.

Emilia Menkveld
null Beeld Olivier Heiligers
Beeld Olivier Heiligers

Heeft dit echt in de krant gestaan? Ik kon de gedachte niet onderdrukken tijdens het lezen van De Wolga ontspringt in Europa. De gebundelde oorlogsreportages van de Italiaanse schrijver Curzio Malaparte, die tussen 1941 en 1943 verslag deed vanaf het Sovjet-front, zijn in vele opzichten verbluffend. Niet in de laatste plaats door de wrange echo in het heden; in de krant van vandaag gaat het over dezelfde plaatsen, dezelfde rivieren, hetzelfde oorlogsleed – Malaparte, nabij Dnipro: ‘en altijd weer doden, verbrande huizen, horden haveloze krijgsgevangenen, met de ogen van een zieke hond…’

Het is opmerkelijk dat de Corriere della Sera de verslagen überhaupt heeft afgedrukt, al is er hier en daar een passage gesneuveld in de censuur. Malaparte (1898-1957) trok mee met het Duitse leger – het Italië van Mussolini had zich immers aan de kant van Hitler geschaard – maar weigerde zich ‘te verlagen tot propaganda’, zoals hij in zijn voorwoord (uit 1951) schrijft. In zijn eigen verslagen trof hij ‘het enige objectieve oordeel over de Duitse oorlog tegen Rusland’ aan; op bescheidenheid zul je de schrijver van succesromans als Kaputt en De huid niet snel betrappen.

‘Arbeidersmoraal’

In zijn reportages klinkt een groeiende sympathie voor de Sovjet-strijders door. Malaparte bewondert de efficiëntie van hun leger, waarin ieder zijn taak vervult als de arbeiders in een fabriek. Na twintig jaar Sovjet-Unie heerst er onder de troepen een heuse ‘arbeidersmoraal’, die Malaparte mateloos fascineert. Het leger noemt hij ‘de grootste industriële schepping van het communisme’. Tegelijkertijd verbaast hij zich over hun ‘onverschillige’ (want niet-religieuze) houding tegenover de dood: ‘Ze weten dat ze zullen sterven als een stuk steen, een stuk hout. Een machine.’

Fel verzet de schrijver zich tegen de door de Duitsers gepropageerde tegenstelling tussen het ‘Aziatische’ Rusland en het ‘Europese’ Westen. Het bolsjewisme weigert hij af te doen als een Aziatisch verschijnsel. De oorlog is volgens hem een botsing van twee krachten in de westerse beschaving, van de burgermoraal en de arbeidersmoraal, de oudste en de modernste Europese geest.

Na maanden van ‘inopportune’ verslaggeving vanaf het front in Roemenië, Moldavië en Oekraïne hadden de Duitse autoriteiten er genoeg van. Malaparte moest, naar eigen zeggen op last van Goebbels, terug naar Italië, waar hij van Mussolini vier maanden huisarrest kreeg. In maart 1942 mocht hij weer naar het front, naar Finland dit keer (eveneens een bondgenoot van Duitsland), om vanaf de Karelische Landengte het beleg van Leningrad te verslaan – het tweede deel van De Wolga. Daar bleef hij tot aan de val van Mussolini in juli 1943.

In zijn voorwoord laat Malaparte er geen twijfel over bestaan dat hij het zéér bij het rechte eind had in de oorlog, met zijn sympathieën voor de Sovjets. Zelf was hij overigens nogal een draaikont, of liever een non-conformist. In de jaren twintig was hij lid van de fascistische partij, na de oorlog zocht hij aansluiting bij de communisten. (Voor zijn overtuigingen is hij meermaals verbannen en gevangengezet.) Een paar dagen voor zijn dood bekeerde hij zich tot het katholieke geloof. Maar bij wie hij zich ook aansloot, hij bleef altijd eigengereid – en veranderde dus nogal eens van mening.

Schilderen met woorden

Laat je als lezer niet afschrikken door het zelfvoldane toontje in de inleiding. De Wolga ontspringt in Europa is een uitzonderlijk boek. Niet door de sociaal-politieke analyses, waarop uiteraard heel wat valt af te dingen, maar door de literaire kracht van de reportages.

In sommige opzichten doen de stukken niet onder voor zijn meesterlijke oorlogsroman Kaputt (1944), die in dezelfde tijd is ontstaan. Net als in dat boek schildert Malaparte met woorden, zoals zijn vaste vertaler Jan van der Haar het omschrijft in De Wolga. Het taalgebruik gaat van rauw en realistisch tot surrealistisch en poëtisch. In de kundige vertaling vind je al die kleuren terug.

De verslagen zijn nooit rechttoe-rechtaan; het is Malaparte niet per se te doen om het boekstaven van de strijd. De schrijver wil op zoek naar de ‘diepere betekenis, de geheime zin van deze oorlog’. Dat doet hij in zijn bespiegelingen op de Russische arbeidsmoraal, maar – gelukkig – vooral door te zien, te luisteren, te ruiken.

Zijn allereerste reportage, vanuit het Roemeense Galati, begint met anderhalve pagina landschapsbeschrijving: ‘Galati duikt op uit de lagunes tussen de Proet en de Donau, en ademt de geur van modder, vis, rotte rietbossen (…) tot aan de bergen van Dobroedzja is de grote delta van de Donau een en al waterschittering.’ Al gauw verdrijft een andere geur het vredige beeld: ‘een zware lucht, een heftige, vette lucht. De stank van in de modder begraven kadavers.’

Curzio Malaparte in 1948.  Beeld Getty
Curzio Malaparte in 1948.Beeld Getty

Alles in deze wereld is aangeraakt door de oorlog, het conflict overheerst elke waarneming. ‘Wolken grijze kleine vogels scheren over het graan met het gefluit van mitrailleurkogels’, schrijft Malaparte. Rode wolken boven een groen landschap in Bessarabië zijn als ‘aanplakbiljetten met communistische propaganda’.

Om de beeldspraak alleen zou ik dit boek al aanbevelen. Een zonsondergang is als ‘bloedend tandvlees aan het rand van de einder’, gebombardeerde huizen brullen van angst en vluchten uit hun eigen deuren (goed, dat laatste beeld is geleend van Machiavelli). Witte soldatenvoeten steken als ontvelde boomtakken uit het grijsgroen van een uniform. ‘Ik bedenk dat Daphnes voeten zo moeten zijn geweest in de kritieke fase van de metamorfose.’

Wrange schoonheid

De schrijver deinst er niet voor terug om gruwelen te beschrijven, maar zelfs die zijn vaak van een wrange schoonheid. In een van de mooiste reportages beschrijft Malaparte hoe hij vanuit een vliegtuigje voor het eerst het kwijnende Leningrad ziet liggen – dichter bij het ‘arbeidersfort’, zoals hij de stad noemt, kon hij niet komen: ‘Nu steeg het toestel, won aan hoogte om weer uit de mist op te duiken. En toen het even later helder was en de hemel zich weer vrij en zuiver boven ons welfde, ontwaarden we daar voor ons een rozige vlek, een rozenblad dat in de koers van ons toestel lag. Zoals het voorkomt dat vervagend licht in de mist wint aan kracht en op ongelofelijke afstanden terugkaatst, zo leek de brand van Leningrad ons merkwaardig dichtbij. Dat rozenblad bewoog, krulde op, leek te ademen.’

Juist de afstand tot het drama wekt hier vervreemding. Vanuit de lucht wordt het conflict iets abstracts, bijna een illusie. Maar ook in zijn reportages uit Roemenië en Oekraïne, waar Malaparte met zijn neus op de actualiteit zit, voel je diezelfde vervreemding, de onvoorstelbaarheid van het leven in die oorlog – in elke oorlog. Wat daar gebeurt, lijkt buiten de realiteit te staan.

De sensatie is het sterkst in een bizarre scène aan het stijf bevroren Ladogameer, waar Malaparte menselijke gezichten ziet afgetekend in de ijsplaat. De lichamen zijn weggespoeld met de eerste dooi, hun trekken zijn nog heel even gevangen. Wie bekend is met Kaputt, zal direct denken aan de bevroren paardenhoofden die boven hetzelfde meer uitsteken – al net zo onvergetelijk. Ook andere voorvallen en personages zullen bekend voorkomen. Zo duikt de Spaanse graaf De Foxà weer op, ook een flamboyant romanpersonage.

Het lot van de Joden krijgt in De Wolga niet bijzonder veel aandacht, anders dan in Kaputt: de roman bevat een van de eerste literaire beschrijvingen van de Holocaust. De massaslachting in het Roemeense Iasi (‘Je voelt dat er iets ergs gaat gebeuren, je voelt het in de lucht, op je huid, aan je vingertoppen’) heeft in juni 1941 de krant nog niet gehaald.

Curzio Malaparte: De Wolga ontspringt in Europa. Uit het Italiaans vertaald door Jan van der Haar. Koppernik; 304 pagina’s; € 24,50.

null Beeld