Alle verhalen

Dood, doem en duisternis

De beroemdste verhalen van Edgar Allan Poe (1809-1849) spelen zich af in de Parijse Rue Morgue, een kelder van de Spaanse Inquisitie en in een draaikolk in het hart van de Zuidpool. Het is dan ook een verrassing om in de openingszin van De duivel in de klokketoren opeens meegetroond te worden naar ons eigen land.

'Iedereen weet wel ongeveer dat de fraaiste plaats ter wereld het Nederlandse stadje Vondervotteimittiss is', luidt die zin. Daarna blijkt evenwel dat de bewoners van dat stadje zuurkool met varkensvlees eten, voortdurend pijpen roken en met een onmiskenbaar Duits accent spreken. In een ander verhaal laat Poe zelfs onze goede stad Rotterdam op stelten zetten door een luchtballon. Maar de burgemeester die hem verwelkomt, heet Superbus Von Underduk.

Aan het gemak waarmee Poe nationaliteiten en plaatsen in Europa door elkaar husselt, kun je zien dat hij niet - zoals sommigen denken - een Engelsman was, maar een Amerikaan. Er is verder weinig in zijn oeuvre dat daarop wijst. Boston en Baltimore, plaatsen waar hij een flink deel van zijn slechts veertig jaar durende leven doorbracht, komen niet herkenbaar in zijn werk voor.

Niet nader benoemde burchten, kerkers en paleizen zijn duidelijk favoriet, wat bevestigt dat bestaande locaties er voor Poe niet echt toe deden. Als hij couleur locale nodig had, plukte hij die gewoon ergens vandaan, of zoog zelf wat uit zijn duim, zoals het Arabische geschrift Tellmenow Isitsoörnot waaraan hij Het duizendtweede verhaal van Sheherazade beweerde te ontlenen. Nee, het veel levensechter terrein waar hij zich bij voorkeur ophield, waren de krochten van de menselijke ziel, en de duizelingwekkende toppen van zijn eigen fantasie.

Zonder Poe zou de literatuur er anders hebben uitgezien, vooral de literatuur van het soort dat het allereerst moet hebben van de verbeelding. Het griezelverhaal, de detective, het genre van de sciencefiction - Poe was hier op zijn minst de grote vernieuwer, als hij al niet de uitvinder was. Maar bij het lezen van zijn verhalen gaan er meer lichtjes op: zou Kafka Poe hebben gelezen? Goed mogelijk. En Gogol? Zou best kunnen. Borges? Dat staat wel vast.

Dankzij Athenaeum-Polak & van Gennep, waar Poe waardig is bevonden om hem op te nemen in de zogenoemde Gouden Reeks, zijn nu al die verhalen opnieuw vertaald door Paul Syrier en uitgegeven in een meer dan duizend bladzijden tellende foliant met opbergdoos en leeslint. Poe komt hiermee in een illuster, zij het wat willekeurig rijtje te staan, waarin de Bijbel, Elsschot, Dante, Boccaccio, Manzoni, Joyce en nog een handvol grote klassieken hem zijn voorgegaan.

De uitgave krijgt extra cachet dankzij de illustraties die Harry Clarke in 1919 maakte voor een nieuwe Poe-uitgave. Clarke (1889-1931), een Ierse kunstenaar die werkte in de art nouveau-stijl van Aubrey Beardsley en Kay Nielsen, maakte ook een aantal vignetten voor het boek, en die ontbreken jammer genoeg, misschien omdat dat anders tot problemen zou hebben geleid met het ietwat transparante papier.

Het is niet de eerste integrale Poe-editie die in Nederland verschijnt. In de jaren tachtig publiceerde Loeb al een bijeengesprokkelde uitgave met Het volledige proza, waaraan een tiental verschillende vertalers te pas was gekomen, onder wie Vestdijk en Havank. Die editie, met zijn telefoonboekachtige uitstraling, werd later nog eens uitgegeven door de Hema. Het verschil met de Athenaeum-uitgave is tekenend voor de scheidslijn tussen pulp en literatuur, waarop het werk van Poe zich bevindt, en die in zijn eigen tijd nog helemaal geen scheidslijn was.

Poe had een kort, moeilijk leven. Hij werd in 1809 geboren als zoon van twee acteurs, maar zijn vader nam al snel de benen, zijn moeder stierf in 1811, en Poe werd opgevoed in de familie van John Allan, een gegoede koopman in Boston, aan wie hij het tweede lid van zijn naam ontleende. Aan Poe's verhalen te oordelen was hij een uiterst erudiet en belezen man, dus zijn pleeg

vader moet hem op zijn minst een goede opleiding hebben bezorgd. Vanaf zijn achttiende zat hij een aantal jaren in het leger, maar zag af van een militaire carrière en besloot zich op het schrijven te richten. Daarmee was hij de eerste Amerikaanse schrijver die probeerde uitsluitend van de pen te leven. Net als zijn drie jaar jongere Engelse collega Charles Dickens was hij daarvoor aangewezen op publicaties in tijdschriften. Maar terwijl Dickens het zocht in het feuilleton, richtte Poe zich veeleer op het korte verhaal, in het bijzonder het genre van de gothic story en de humoristische schets, want die twee lagen goed bij het publiek.

Poe was dus op zijn minst ten dele een broodschrijver, en ook dat valt terug te lezen in de complete Athenaeum-editie. Een vermakelijk verhaal, niet vrij van een zekere zelfspot, is Het schrijven van een Blackwood-artikel, waarin een aspirant-schrijfster zich door een redacteur laat instrueren welke elementen een bizarrerie dient te bevatten: zo moeten er verwijzingen naar klassieke schrijvers in staan, en zijn er verschillende stijlen waaruit geput kan worden. Maar de belangrijkste aanwijzing is dat de schrijver uit de eerste hand verslag dient te doen van een riskante onderneming, of liever nog: een bijna-dood-ervaring. Waarop de dame in kwestie een grotesk verhaal schrijft waarin ze alle aanwijzingen dooreenhaspelt, en ook nog eens vertelt hoe ze met haar hoofd bekneld raakt onder de wijzer van een torenklok, waarbij eerst haar ogen eruit rollen en zij vervolgens langzaam gedecapiteerd wordt. Zonder fatale gevolgen overigens.

Het grappige is dat Poe in een aantal van zijn verhalen vergelijkbare recepturen hanteert, zoals in het vroege Verlies van adem. Hierin 'verliest' de hoofdpersoon zijn adem, zodat hij niet meer kan praten, op een gegeven moment voor dood wordt aangezien en later ook nog wordt opgehangen (maar niet stikt, omdat hij niet kan ademen). Het is vooral goed geschreven divertissement, maar lijkt tegelijkertijd een voorafschaduwing van de wat minder oppervlakkige satire die Gogol bedrijft in De neus. Verder is het natuurlijk een luchthartige variant van de preoccupatie met de dood die vooral in Poe's serieuze verhalen een hoofdmotief is.

Beklemmender proza dan dat van Poe is nauwelijks denkbaar, vooral ook omdat hij de lezer zo sluipsgewijs meevoert in het verhaal.

Exemplarisch is De voortijdige begrafenis, een bondige vertelling, die opent met een reeks algemene beschouwingen over de vrees om ten onrechte dood verklaard te worden, maar gaandeweg overgaat in de persoonlijke angsten van de hoofdpersoon en dan uitmondt in een van de griezeligste bladzijden uit Poe's werk. Belangrijk is ook dat de vertelling in de 'ik'-vorm gesteld is, en dat er over die verdere omstandigheden van die 'ik' niet al te veel wordt meegedeeld, zodat de lezer zich vanzelf vereenzelvigt met het perspectief van de verteller.

Naast verhalen als De voortijdige begrafenis en het doodenge De put en de slinger, die nog min of meer naturalistisch zijn, zijn er vele waarin het bovennatuurlijke een rol speelt, zoals de vreemde verhalen over verloren geliefden die op een of andere manier terugkeren in deze wereld, verhalen over mesmerisme, en macabere visioenen zoals Het masker van de Rode Dood. De aangrijpendste tussenvorm is die waarin de lezer gaat twijfelen aan het oordelend vermogen van de verteller, zoals William Wilson, die in het gelijknamige verhaal zijn leven lang wordt achtervolgd door een dubbelganger, of de hoofdpersoon van Het verraderlijke hart, een moordenaar die steeds maar het tikkende hart van zijn slachtoffer blijft horen.

De bewustzijnsvernauwingen die Poe meermalen beschrijft, zijn door latere generaties dikwijls opgevat als de neerslag van opium- of alcoholische dromen. Nu was Poe in sommige opzichten ook het prototype van de romantische dichter, met een hang naar de zelfkant en zelfdestructie. In crisissituaties greep hij naar de fles, en ook zijn raadsela

Meer over