ALFRED BRENDEL

Hij heet kritisch, veeleisend, precies en streng te zijn. Critici vinden hem doordacht, belerend, te intellectueel. De pianist Alfred Brendel mag er, met zijn verkreukelde kop, ijsmuts en vierkante bril, uitzien als een verstrooide professor, een wereldwijd publiek heeft hem in het hart gesloten....

DE SCHRIK VAN iedere pianostemmer heette hij te zijn, jarenlang. Met een vork zou hij de hamerkoppen uiteindelijk zelf onderhanden nemen. Briesend. Voor een concert dient de vleugel van Alfred Brendel perfect geprepareerd te zijn, als een renpaard, klaar om uit de box te springen. Mankeert er iets aan de stemming, de afregeling van het mechaniek, de intonatie, dan heb je een Boze Brendel.

Stemmer Michel Brandjes was een gewaarschuwd mens toen hij met de pianst begon te werken in het Concertgebouw. Voor het concert dat Brendel zondag geeft in de Grote Zaal zal Brandjes zo'n zestien uur bezig zijn met de Steinway. Met een naald bewerkt hij het vilt van de hamerkopjes tot ze allemaal even 'egaal' zijn, zorgt hij ervoor bij de afregeling rekening te houden met het toucher van de pianist en de akoestiek van de zaal, kortom sleutelt hij net zo lang totdat de vleugel precies de klank voortbrengt die de pianist zich wenst voor deze stukken.

Zondagochtend hebben ze dan nog op z'n hoogst een uur nodig om de piano samen door te lopen en de laatste wijzigingen aan te brengen. Die sessies worden steeds korter, zes jaar samenwerking heeft zijn vruchten afgeworpen. 'We zijn uiterst geconcentreerd bezig in dat uurtje, de sfeer in aanloop naar zo'n concert is ernstig en geladen. Maar na afloop, zondagavond, dan is hij dankbaar, vriendelijk', zegt Brandjes.

Brendels opmerking dat 'chaos voor de kunstenaar mogelijk de meest logische toestand is', lijkt in dat licht weinig betrekking op hemzelf te hebben. Hij heeft de naam kritisch en veeleisend te zijn, precies en streng, ten opzichte van anderen in zijn werkomgeving, maar zeker niet in de laatste plaats ten opzichte van zichzelf.

Hij was, in eigen woorden, 'geen wonderkind'. 'Ik heb geen fotografisch geheugen, noch speel ik sneller dan andere mensen. Ik heb acht uur slaap nodig. In principe zeg ik nooit een concert af, behalve wanneer ik echt ziek ben. Het verloop van mijn carrière (Brendel debuteerde in 1948) was dan ook zo langzaam en geleidelijk, dat ik soms denk dat er danwel iets met mij aan de hand is, danwel met de rest van de mensen in dit beroep.'

Naar verluidt begon zijn Amerikaanse management, Colbert Artists, zich in de jaren zestig ook wat zorgen te maken over de gang van zaken; zijn opnamen voor het Vox-label van de complete Beethovensonates leken alleen in beperkte kring van liefhebbers en onder koopjesjagers bekendheid te genieten.

De pianist zelf trad alle pr-regels met voeten met zijn weinig glamourous voorkomen en de stelling dat zijn verhouding met de componist een stuk belangrijker was dan die met het publiek.

In sommige opzichten lijkt er in dertig jaar weinig veranderd. Welke platencover, cd-hoes of affiche je er ook bijpakt, daar is ie weer: verkreukelde kop, donkere vierkante bril, iets naar voren staande tanden, soms de mond vertrokken in een welwillende poging tot een glimlach. Heerlijk.

De verstrooide professor, 'bookish', stoffig - mogelijk tegen wil en dank, maar op enig moment was het imago er. Evenals een behoorlijk stevige relatie met het publiek, waaronder de verhouding met de componist weinig te lijden lijkt te hebben gehad.

Was er toch sprake van een publiciteitsoffensief? Wie zal het zeggen. Opmerkelijk feit is dat hij in het seizoen '82-'83 een marathonoptreden verzorgde van 77 recitals langs elf steden in Groot-Brittannië, Frankrijk, de Verenigde Staten, Oostenrijk, Duitsland, Zweden en Nederland met opnieuw de complete cyclus Beethovensonates. Uiteindelijk heeft hij nog tweemaal de 32 Beethovensonates opgenomen, de laatste cyclus voltooide hij pas vorig jaar.

'Als het specifiek om Beethoven gaat, verwijs ik leerlingen wel naar Brendel', zegt Jan Wijn, pianist en docent aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam. Verder is hij kritisch ten opzichte van Brendels spel en programma. 'Sommige dingen vind ik knap: je weet dat hij een stuk lang bestudeerd heeft, bijvoorbeeld, en dan klinkt het bij uitvoering toch nog geïmproviseerd. Maar ik ben toch meer een liefhebber van Perahia, of Pires.'

Brendels repertoire mag groot zijn - 220 composities heeft hij opgenomen en sommige wel meerdere malen, zo benadrukt zijn Nederlandse impresario Marco Riaskoff - het is in die zin beperkt dat het voornamelijk werk betreft van componisten uit Midden-Europa, waar Brendel zelf ter wereld kwam. Haydn, Mozart, Beethoven, Schubert en Schumann, met Liszt als vreemde eend in de bijt. 'Ik koester helemaal geen nationalistische gevoelens, ik woon al meer dan twintig jaar in Londen, maar de grootste componisten komen uit dit gebied. Voor mij steekt dit repertoire met kop en schouders boven de rest uit', stelt hij zelf.

En afgezien van het Concerto van Schönberg waagt hij zich niet of nauwelijks aan jongere generaties van muziekschrijvers. 'Dat vind ik een beetje jammer aan Brendel', zegt vakbroeder Alwin Bär. 'Zeker in het begin vond ik hem heel interessant en is hij in zekere zin ook van invloed geweest op mij als pianist, maar dan hebben we het toch over twintig jaar terug. Ik vind zijn programma nu wel wat eenzijdig. Er zijn toch hele goede twintigste-eeuwse componisten. Hij heeft er kennelijk voor gekozen museumdirecteur te zijn, nu ja, met alle respect.'

En jawel, Brendels volgende plannen liggen alweer bij Beethoven: in december begint hij met de opnamen van de pianoconcerten met de Wiener Philharmoniker onder leiding van Simon Rattle.

Met Nederlandse orkesten speelt hij niet veel. Een kwestie van geld is het niet, zegt Riaskoff. 'Praktisch ligt het moeilijk, hij heeft weinig tijd. Er bestaan plannen met het Koninklijk Concertgebouworkest, maar die zijn ook al weer een paar keer verschoven. Ik denk dat het nu niet eerder dan het jaar tweeduizend zal worden.'

De samenwerking tussen Brendel en Riaskoff dateert van begin jaren zeventig en is inmiddels behoorlijk hecht. Zo langzamerhand kent de impresario de eigenaardigheden van zijn meesterpianist. '''Herr Brendel was ist los?'', riep ik de eerste keer toen ik de pleisters om zijn vingers zag. Ik dacht dat ie zich had bezeerd.' Het bleek een vaste gewoonte geworden - sinds hij ooit tijdens een plaatopname het bloed onder zijn nagels vandaan had gespeeld, pakt hij ze in.

Brendel werkt volgens strak schema; de ochtend van het concert komt hij een uur of drie repeteren, meestal van negen tot twaalf, en neemt hij met de stemmer de piano door. Dan komt hij vroeg in de avond terug, vaak voor zevenen. Zijn hotelkamer moet stil zijn, en alvorens een tafeltje te reserveren voor de maestro, dient men zich ervan te vergewissen dat het restaurant muzakvrij is.

Sinds Riaskoff in 1988 met zijn serie meesterpianisten begon, heeft Brendel geen enkele keer verstek laten gaan. 'Hij houdt in grote mate rekening met zijn organisatoren. De laatste jaren zijn de kosten voor ons flink gestegen, de prijs van de zaalhuur, publiciteit. Hij krijgt een garantiebedrag, dat heel schappelijk is, maar dat in al die jaren nooit is verhoogd, en een bepaald percentage van de recette. Niet alle pianisten gaan met een dergelijke regeling akkoord.'

'Het is niet iemand die je zo maar op elke hoek van de straat tegen kunt komen', zegt zijn producer bij Philips, Martha de Francisco. 'Al lang voor een opname neemt hij de stukken mee op tournee. Op het moment van de opname probeert hij het beste concert te evenaren. Hij hoeft niet te zoeken naar een interpretatie. Direct nadat hij iets gespeeld heeft, kan hij zich ervan distantiëren en de opname objectief beluisteren, en dat is zeker niet bij iedere musicus het geval. Soms wil hij dingen over doen, maar hoogstens een of twee keer.'

Brendel heeft de technische vooruitgang wel afgedaan als de 'barbarij van de perfectie' en zijn twijfels geuit over digitale opnamen. Maar volgens De Francisco is hij er meer en meer aan gewend geraakt en over het algemeen 'tevreden'. 'We werken nu met acht microfoons. Het komt de warme klanken ten goede en de muziek wordt als het ware driedimensionaal.'

Zij noemt hem professioneel, redelijk flexibel, maar ook geestig en erudiet: 'Tussen de sessies door praten we over van alles en nog wat. Hij heeft een enorm brede belangstelling.'

Brendel laat weinig kansen onbenut te benadrukken dat hij niet uit een intellectueel of muzisch gezin komt. Hij werd geboren in Wiesenberg (nu in de Tsjechische republiek) op 5 januari 1931. Toen hij drie was verhuisde de familie naar Zagreb, waar zijn vader enige tijd directeur van een bioscoop was. In Zagreb kreeg hij zijn eerste pianolessen, maar het was jaren later dat hij de definitieve keuze voor muziek zou maken: als puber vatte hij grote liefde op voor architectuur, literatuur en schilderkunst, schreef gedichten en exposeerde ooit met waterverfschilderijen in een galerie in Graz. Eigenlijk om zijn ouders een plezier te doen, deed hij in Wenen staatsexamen muziekleraar.

Daarna werd het pas echt serieus: hij nam lessen bij Paul Baumgartner in Basel, Edward Steuermann in Salzburg en Edwin Fischer in Luzern. Maar van zijn vroegere liefdes heeft hij nooit afscheid genomen, hij leest nog steeds alles wat los en vast zit, 'van Dostojevski tot Agatha Christie en stripboeken', zegt zijn goede vriendin Claudia von Canon. Hij weet alles van schilderkunst 'van Giotto tot Picasso', is dol op barokke kerken en schrijft. Over kleine gekke voorvallen die hij meemaakt en, op serieuzere wijze, over muziek.

Twee boeken heeft hij op zijn naam, naast nog talloze essays, waarin zijn doorwrochte muziekstudies en stellige opvattingen hun neerslag vinden.

'Ik heb die boeken met plezier gelezen', zegt Rian de Waal, pianist en vakdocent aan het Haags Koninklijk Conservatorium, 'maar ik moet zeggen: het klinkend resultaat ervan vind ik niet zo boeiend.

'Brendel is zo op zoek naar de ultieme betekenis van elk boogje en haakje, en in die zin natuurlijk een trouw dienaar van de partituur, maar persoonlijk geef ik dan toch de voorkeur aan iemand als Charles Rosen. Toch ook erkend erudiet muscioloog, maar die speelt met meer fantasie.

'Ik wil als pianist, als ik naar een concert geweest ben, denken: goh, wat heb ik toch een mooi vak gekozen. Ik vind Brendels spel moeizaam aandoen, ook als ik mijn ogen sluit voor de bekkentrekkerij.'

Critici mogen hem dan doordacht, intellectueel, stoffig of belerend vinden, feit is dat hij wereldwijd een publiek heeft opgebouwd, dat zich over het algemeen niet als gehoorzame leerling gedraagt. Brendel moet genoten hebben toen fans hem tijdens een optreden in Japan eerden met een grote Brendel-opblaaspop, die ook nog eens afgebeeld op buttons werd verspreid.

'Hij heeft een fantastisch gevoel voor humor', zegt Claudia von Canon. 'Hij kan zich tranen lachen om rare drukfouten in kranten, tijdschriften of aankondigingen in programma's. Als ik iets geks tegenkom, knip ik het uit, voor Alfred. Het is zijn hobby, het verzamelen van ''onbedoelde humor'', zoals hij het noemt. En kitsch, dat verzamelt hij ook, ansichtkaarten van rond 1900 bijvoorbeeld, met afbeeldingen van scènes uit Wagneropera's.'

Claudia von Canon verheugt zich op Brendels komst: 'Weet u, hij heeft me verteld dat hij er vast van overtuigd is dat hij in Amsterdam zal sterven', zegt ze - 'als hij door een fietser van het trottoir gereden wordt.'

Alfred Brendel speelt zondag in de Grote Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam (Busoni, Liszt, Schumann en Haydn).

Meer over