Albright krijgt mogelijk claim 'oorlogskunst'

De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, dreigt het middelpunt van een pijnlijke en merkwaardige eigendomsaffaire te worden. Een adviescommissie van president Clinton die niet-ontdekte eigendommen van holocaust-slachtoffers in de VS in kaart brengt, overweegt om de claim van een Oostenrijkse familie tegen Albright te onderzoeken....

Dit terwijl Albright een joodse achtergrond heeft en de familie die de claim tegen haar inbrengt van Duitse origine is. Philipp Harmer, een in Wenen wonende nazaat van de familie Nebrich, zegt drie weken geleden een brief te hebben ontvangen van het hoofd van de afdeling kunstzaken van de Amerikaanse commissie, J. Petropoulos.

Petropoulos schrijft dat hij de Nebrich-claim zal voorleggen aan de voltallige commissie en op de lijst zal plaatsen van hoorzittingen, die voor het najaar staan gepland. Harmer heeft inmiddels een dik dossier aan Petropoulos gestuurd.

'Onze familie is natuurlijk geen slachtoffer van de holocaust geweest, maar wij waren geen nazi's', zegt Harmer desgevraagd. 'Ons bezit is ons ten onrechte afgepakt in de naoorlogse anarchie. Wat wij willen is teruggave van onze eigendommen.

'Het is niet onze bedoeling mevrouw Albright te beschadigen. We hebben de publiciteit niet gezocht. Ook het contact met Clintons commissie is niet van ons uitgegaan.'

De affaire begon bijna drie jaar geleden met een bezoek van Madeleine Albright aan Praag. Ze bezocht daar het huis waar ze als kind had gewoond.

In dat huis woonden voordien rijke Duitsers. Volgens deze Duitsers werden hun kostbare meubels en schilderijen gestolen door de Tsjechisch-joodse diplomaat Körbel, die meteen na afloop van de Tweede Wereldoorlog hun huis toegewezen had gekregen.

Waar hij gebleven was, wisten ze niet. Tot Madeleine Albright in Praag opdook en ze begrepen dat zij de dochter van die diplomaat was.

Een beleefde briefwisseling tussen de broer van Madeleine Albright en de Duitse familie eindigde met een afwijzing van de claim. De opgeëiste schilderijen, voornamelijk oude Hollandse meesters, waren volkomen rechtmatig in bezit van de Körbels gekomen. Philipp Harmer, zijn grootmoeder en oudtante nemen met dit antwoord echter geen genoegen.

Harmer hoopt nog dat de zaak in der minne wordt geschikt, maar is tegelijk bezig een Amerikaanse advocaat in de arm te nemen om eventueel een rechtszaak tegen Albright en haar verwanten aan te spannen.

De voorvader van Harmer was de Duitse industrieel Philipp Nebrich die zich in 1875 in Praag vestigde en wiens familie sindsdien in Bohemen leefde. Albrights vader, Joseph Körbel, werkte als diplomaat voor de Tsjechische regering.

Na de inval van de nazi's in 1938 was zijn leven en dat van zijn gezin in gevaar en vluchtte hij naar Londen. Toen de oorlog was afgelopen keerde Körbel naar Praag terug en kreeg het huis van de Duitse familie Nebrich toegewezen.

Alle Duitse bezittingen in Tsjecho-Slowakije werden per decreet verbeurd verklaard. Maar volgens Philipp Harmel gold dat niet voor de schilderijen van zijn familie: die waren in 1944 overgedragen aan een familielid met de Zwitserse nationaliteit, die een paar straten verderop woonde.

Körbel zou die schilderijen met dreigementen hebben opgeëist en in beslag hebben genomen. Drie jaar later, in 1948, toen de communisten de macht overnamen, emigreerde Körbel naar de Verenigde Staten, met medeneming van het meubilair en de kunstvoorwerpen van de Nebrichs.

De Amerikaanse minister zou zelf geen bezittingen van Nebrich in huis hebben. Wat er van over is, zou zich bij haar broer en zuster bevinden.

Meer over