Ajax-fans waren we, maar aardige Ajax-fans

Over de voetbalsupporter bestaan veel misverstanden. Met name over voetbalsupporters in beruchte vakken, zoals Vak 127 in de Arena, het stadion van Ajax....

Maar nu is er Vak 127, de debuutroman van Menno Pot. En dierekent af met veel vooroordelen jegens de harde supporters. Dat,zo blijkt, zijn jongens als vele anderen die net als iedereen temaken krijgen met de harde wetmatigheden van het leven.

Pot is poprecensent van de Volkskrant, maar vooral fanatiekAjax-supporter. En hij zit bij thuiswedstrijden, net als zijnhoofdpersoon Daan, altijd in Vak 127. Zijn roman biedt ons, mogenwe dus aannemen, een intieme kijk op het leven van de echtevoetbalsupporter. Op de mens achter de schreeuwlelijk, die leeftvan wedstrijd naar wedstrijd, die naar zijn club blijft gaan, ookals die het slechtste voetbal ter wereld speelt, wiens universumdraait om de bal.

In het buitenland is de echte supporter al veel langer aanhet schrijven. In het begin van de jaren negentig van de vorigeeeuw verscheen de tot dusver beroemdste supportersroman, FeverPitch van de Engelsman Nick Hornby. Daarna volgde, met name inEngeland, een stroom van boeken waarin de liefde voor een cluben het daaruit voortvloeiende lijden omstandig worden beschreven.Maar nooit zo goed als door Hornby, aanhanger van Arsenal, dieer miljonair mee werd.

Geen wonder dat ze Menno Pot bij Uitgeverij 521 graagneerzetten als 'de Nederlandse Hornby' - behalve diensvoetballiefde deelt Pot met Hornby ook nog eens de fascinatievoor popmuziek. Maar toch zet zo'n vergelijking de potentiëlelezer van Vak 127 op het verkeerde been. Fever Pitch zou nietzonder Arsenal en voetbal kunnen. Maar Vak 127 zonder Ajax kanwel. Pot gebruikt het voetbal als decor om een verhaal tevertellen dat we in Nederland al heel lang kennen. Dat van deTitaantjes namelijk, de aardige jongens van Nescio. Hij had datnet zo goed tegen een andere achtergrond kunnen doen. Ik vind Vak127 overigens wel veel leuker dan Titaantjes, al had het boekerbij gewonnen wanneer Pot íets meer naar de strakke stijl enhet gevoel voor beperking van Nescio had gekeken. Soms lijkt Potmaar geen afscheid te kunnen nemen van een scène.

De aardige jongens uit Vak 127 zijn Daan, J.J., Neus enMeijer. Jongens van eind twintig, begin dertig. Ze houden hetechte leven op een afstand met bier, neuken en voetbal - vooralmet voetbal. Hun wekelijkse bezoek aan de wedstrijd van Ajax, uitof thuis, is de hoogmis van de onaangepastheid, de bevestigingvan de plechtige weigering burgerlijk te worden met een huis, eenbaan, een vrouw en een kind - dan nog liever dood, vindt Daan.

Maar natuurlijk gaan ook deze Titaantjes voor de bijl. Vak127 beschrijft de teloorgang naar het geregelde bestaan, tijdenseen rampzalig Ajax-seizoen - ook dat nog. Voor de lezer bij deonvermijdelijke afloop arriveert, krijgt hij onderweg als troosteerst nog heel wat hilarische en heftige momenten voorgeschoteld.Al moet daarvoor soms al wel worden teruggegrepen op de flashback- in dit geval een wel heel symbolisch stijlmiddel.

Vak 127 is geschreven in de snelle taal van het opgefokte supportersvak. De humor is ook de humor van de lads van devoetbaltribune. Rauw, seksistisch en genadeloos, maar daaromniet minder leuk. 'Fuck me, you Ajax fan', zegt een Liverpool-fantegen Daan als die in 1997 in Liverpool is voor eenvriendschappelijke wedstrijd. 'Fuck me now.' Dat laat Daan zichgeen twee keer zeggen. 'Ik ben een fucking ambassadeur. Die geiledoos zegt het zelf: ik naai voor de eer van Ajax.' Zeven jaarlater gaat Daan op vakantie met zijn vaste verkering. 'Toscane,zeg ik. In juli. We hebben al geboekt: twee weken in eenomgebouwd boerderijtje. Met zwembad in de achtertuin. Het ligttussen Siena en Florence in.'

Zo gaan die dingen.

Bert Wagendorp

Meer over