Afgewend gelaat, vooruitziende blik In Rotterdam staat Francis Picabia op uit het Modernisme

Tijdens de oorlog kopieerde hij blonde vrouwen uit boulevardkrantjes en tussen de klaprozen. Na de oorlog penseelde hij monochrome doeken met punten en strepen....

DE Franse kunstenaar Francis Picabia wordt al jaren beschouwd als iemand die eens grondig uit het vet moet worden gehaald. Zo hij niet toe is aan een schadeloos stellende rehabilitatie, dan lijkt een forse herwaardering meer dan urgent. Maar men is er nog altijd niet mee klaar. Liever gezegd: het is nog altijd niet gelukt en het blijft voornamelijk modderen.

In 1981, op de legendarische tentoonstelling Westkunst in Keulen, werd Picabia opgevoerd als een overgangsfiguur: zijn werk, dat in zijn vroegste vorm terugging op het impressionisme en op Dada, zou na 1945 het begin van een informele, onafhankelijke, 'andere' kunst hebben ingeluid.

In de catalogus werd Picabia de Columbus van de moderne kunst genoemd, iemand die aan het eind van de wereld vertwijfeld en koortsachtig naar uitwegen zocht, naar een 'existentiële houding', naar alternatieven voor een kapotte beschaving die zichzelf na 1945 alleen nog maar belachelijk kon maken. Het Amerikaanse abstract expressionisme, de Action painting, maar ook de naoorlogse generatie in Frankrijk (Jean Fautrier, Wols, Alberto Giacometti) - impliciet probeerde men duidelijk te maken dat zonder Picabia allerlei fundamentele ontwikkelingen ondenkbaar zouden zijn geweest. Maar het bleef bij een pleidooi. En er kwamen hooguit andere, nieuwe pleidooien bij.

Bijna tien jaar geleden, in de zomer van 1988, werd door de Royal Scottish Academy in Edinburgh een overzichtstentoonstelling met werk van Picabia ingericht. Wat opviel was dat Picabia opnieuw in een sleutelpositie werd gemanoeuvreerd, alleen betrof het dit keer niet de waterscheiding tussen de wereld van voor en die van na 1945. 'Picabia is dood, lang leve Picabia', schreef de critica Katharina Hegewisch. Wat zij bedoelde was dat de actualiteitswaarde van de Franse schilder met terugwerkende kracht kon worden gerelateerd aan het zogenoemde postmodernisme en aan het failliet van de grote utopieën van de twintigste-eeuwse vernieuwingsbewegingen. (Auf Deutsch: Utopieverlust der Avantgarde.)

'Zijn geest', schreef Hegewisch, 'leeft voort in die kunstenaars die zich schilderend, schrijvend, filmend en musicerend met evenveel openheid distantiëren van wat in de kunst altijd als goed en correct heeft gegolden. Stijlveranderingen worden bij hen tot een stijlbeginsel, ze citeren ongegeneerd uit het repertoire van de kunstgeschiedenis en ze hechten weinig aan de kwaliteiten van het vakmanschap.'

Ter adstructie van haar betoog voerde de schrijfster een hele lijst aan kunstenaars op, voornamelijk afkomstig uit de Bondsrepubliek, die aan hun voorganger schatplichtig zouden zijn geweest. In het werk van Gerhard Richter, van Sigmar Polke, Albert Oehlen en Martin Kippenberger, maar ook in dat van Jeff Koons en Jiri Georg Dokoupil zouden Picabia's provocerende en relativistische opvattingen doorklinken, zijn geringschattende waardering voor criteria, waarheden, standpunten en hiërarchieën. Maar nog belangrijker: de verantwoordelijkheid die een kunstenaar voor zijn werk zou moeten dragen, en die de keerzijde vormt van zijn artistieke autonomie, zou al door Picabia geheel zijn prijsgegeven. En in een uitspraak van Albert Oehlen werd elke schijn van wat nog op die autonomie zou kunnen wijzen, onderuit gehaald: 'We lezen 's morgens de krant en we schilderen 's middags. In wezen is de staat verantwoordelijk voor de uitkomsten.'

Heel erg veel schieten we met dergelijke veronderstellingen niet op. Want ten eerste: wordt het werk van Richter of Polke, of van Koons, beter, logischer of helderder, naar de mate waarin er vanuit een historisch perspectief naar kan worden gekeken? Ten tweede: wat is dat historisch perspectief? Zijn het Picabia's uitspraken of zijn het zijn schilderijen?

Die uitspraken gaan allemaal in dezelfde trant. Al in 1921 schrijft hij dat de revolutionaire ideeën van zijn collega's even bekrompen zijn als die van een burgerman uit Besançon ('aussi troites que celles d'un petit bourgeois de Besançon'). Smaak, meende hij, heeft iemand indien hij de smaak heeft die anderen ook hebben. Mild provocerend, dat is ongeveer de teneur. Het zijn in elk geval geen mededelingen waaruit een breed ideologisch programma voor de beeldende kunst valt af te leiden, laat staan een historisch.

Of dat bij Picabia's schilderijen wel het geval is, valt lastig te bewijzen. Het enige wat zich erover laat zeggen is dat Picabia in een carrière die meer dan een halve eeuw in beslag neemt, een aantal keren aanzienlijk van stijl is veranderd, alsof hij het postmoderne anything goes al voorvoelde. Ook dat kan weer als een provocatie worden opgevat, zij het dat de oppervlakkigheid die veel van zijn werk uitstraalt daarmee niet is verklaard. Het enige wat men zou kunnen verzinnen, is dat het diezelfde oppervlakkigheid is, die in de waarneming van de profeten van het postmodernisme juist weer van zo'n vooruitziende blik getuigt. Alleen, door de geschiedenis op haar kop te zetten krijg je nog geen andere of adequatere geschiedenis. Er is trouwens ook nog een technisch probleem ten aanzien van Picabia's vermeende invloed. Veel van zijn werk, met name uit de laatste fase, is jarenlang geheel aan het oog onttrokken geweest, verstopt in privécollecties, genegeerd door musea. Het heeft geen rol gespeeld, en zo het al reacties opriep, waren deze voornamelijk neerbuigend.

Niettemin, ook de tentoonstelling die sinds vorige week in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam is te zien, lijkt te zijn bedoeld om juist Picabia's functie als pionier kracht bij te zetten. Dat gebeurt overigens niet met de grootste overtuigingskracht, alsof er bij elke stap moet worden gecontroleerd hoe stevig de grond is, ongeveer zoals bij een giraf die zich voortbeweegt op rolschaatsen.

Het gewichtigste argument wordt gevormd door een reeks figuratieve schilderijen die onder gewone omstandigheden, bijvoorbeeld op een inboedelveiling bij een provinciaal notariskantoor, als kitsch zouden worden afgehamerd. Het betreft portretten die Picabia tijdens de jaren veertig kopieerde van foto's uit groezelige Franse tijdschriftjes als Mon Paris en Paris Magazine van het zinnenprikkelende niveau waaraan men zich zelfs in de voormalige Duitse Democratische Republiek geen buil kon vallen. Blonde vrouwen, half achter een gordijn, met afgewend gelaat, zedig door grassprieten of klaprozen gecamoufleerd, en alles in vleeskleuren die een dramatische lachwekkendheid aan de dag leggen. Alle lulligheid die verborgen gaat achter de Nederlandse uitdrukking 'schaars gekleed' - die sfeer.

Nochtans, in een welhaast jezuïtische retoriek beargumenteert Sara Cochran in de begeleidende catalogus waarom deze portretten indertijd ten onrechte voor een artistieke misstap werden aangezien. Zij betoogt dat het figuratieve karakter op zichzelf in Picabia's niet iets uitzonderlijks is, en dat daarom deze schilderijen niet als een opportunistische knieval mogen worden gezien. Wel was de waardering voor herkenbare voorstellingen na 1945 zo gering, dat niet alleen het werk van Picabia maar ook de figuratieve schilderijen van avantgardisten als Picasso, Carr en Malevitsj genegeerd werden. Je moet maar durven: om juist aan de portretten van Malevitsj zo'n excuus te ontlenen.

De wijze waarop Cochran historisch bij de les is, kan vervolgens worden afgeleid uit een opmerking als deze: 'After the revelation of the atrocities that had been committed during war, these paintings shocked their critics by their frivolous, erotic subject matter.' Nog afgezien van de onbenullige formulering - overziet Cochran de morele beschuldigingen die zij impliciet uitspreekt aan het adres van figuren die eventueel niet door deze schilderijen van hun stuk worden gebracht?

Dan, na een uiteenzetting over de technische eigenaardigheden die de kunstenaar moest beseitigen, volgt een gemakzuchtige ontknoping: hij zou in deze voorstellingen zowel de klassieke opvattingen over de portretschilderkunst als de uitgangspunten van het Modernisme hebben willen bestrijden, en juist in die antimodernistische houding - questioning the limits of art - is een volledig eigentijdse want postmoderne visie te herkennen. En wie daartoe niet in staat mocht zijn, zo suggereert Cochran, duvelt in de val die Picabia voor hem heeft opengezet.

In zijn laatste acht jaar, tussen 1945 en 1953, is Picabia opnieuw abstract gaan schilderen. Niet op de vitale en aangrijpende manieren waarop dat inmiddels om hem heen gebeurde. Niet met het doel om de abstractie als een op zichzelf staande expressievorm te verdedigen. Het ging een stuk onzekerder. Op moeizaam volgepenseelde, meest monochrome doeken verschijnen krachteloze geometrische of zoömorfe patronen, die naarmate ze elkaar opvolgen inkrimpen tot willekeurig aandoende strepen en stippen. Mijn God, wat een vervelende schilder.

Op de website van Museum Boijmans wordt gesproken over 'pasteuze, donkere vlakken' en 'een weergaloze, abstracte Altersstil'. In de catalogus wordt de Franse theoreticus Michel Seuphor aangehaald, die het finale werk van Picabia als een definitief punt onder de schilderkunst, als la fin de tout, heeft geïnterpreteerd.

Moeiteloos transponeert een van de bijdragen in de catalogus deze uitspraak naar een vraagstuk dat Picabia moet hebben 'gemarteld': de vraag naar de dood of de overlevingskansen van de kunst zelf. Want daarin schuilt een der heetste postmodernistische hangijzers: het einde van de kunst, het einde van het museum, het einde van dit, het einde van dat. En gelukkig ook: het einde van dat soort discussie. Want verdomd, Francis Picabia zou Francis Picabia niet zijn geweest, indien hij niet uitdrukking zou hebben gegeven aan 'de eeuwige cyclus van dood en wederopstanding waaraan de kunstenaar zijn leven lang is onderworpen'.

En nu maar spoorslags naar Rotterdam, want Rondom Raphaël, in hetzelfde museum tot en met 15 maart, is een geweldige tentoonstelling.

Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam: Francis Picabia, late schilderijen (1933-1953). Tot en met 31 mei.

Zdenek Felix (red.): Francis Picabia. The Late Works 1933-1953. Gerd Hatje, ¿ 59,50.

Meer over