Affiniteiten

Schoonheid die vernietigd wordt door zinnelijkheid

Hoeveel vertaling kan een oud meesterwerk verdragen? Dat is de vraag die automatisch opkomt als een klassieker uit het buitenland blootgesteld wordt aan het onbarmhartige licht van de eigen tijd en de eigen taal. Die Wahlverwantschaften van Goethe is zo'n klassieker. Dit is niet de eerste keer dat het boek vertaald wordt, maar het zou wel eens de laatste kunnen zijn.



Ze lijken het zo goed voor elkaar te hebben, Eduard en Charlotte. Hij 'een rijke baron in de kracht van zijn leven', zij een rijpe schoonheid, liefdevol, verstandig. Geldzorgen hebben ze niet en ze zijn gezellig bezig met het vervolmaken van hun landgoed. Eigenlijk lijken ze wel wat op al die jongelui van tegenwoordig die hun ziel en zaligheid steken in het huis van hun dromen. Op zoek naar iets uitzonderlijks reproduceren ze de modes van hun tijd, in de waan hun leven helemaal in de hand te hebben, blijken ze speelbal van hun emoties.



Die emoties dachten Eduard en Charlotte zo aardig onder controle te hebben. Als jonge mensen waren ze intens verliefd geweest, maar tot een huwelijk kwam het niet. Hij was rijk maar moest van zijn vader met een nog rijkere, oudere vrouw trouwen, zij was arm en gaf haar hand aan een vermogend man van wie zij niet hield maar die zij wel hoogachtte. Maar hun beider partners stierven en ze besloten hun oude liefde nieuw leven in te blazen. Je zou kunnen zeggen dat al dat tuinieren en verbouwen de metafoor is van die restauratie.



Goethe was dol op dit soort toegankelijke beelden. Hij kon subtiel zijn als een kwetsbare dichter, maar als het even kon, vooral in proza, legde hij het er tamelijk dit bovenop. De hele roman is eigenlijk één uitgewerkte metafoor, waarbij zijn eigenaardige opvattingen van de scheikunde de relaties van zijn personages regeren. Die opvattingen komen uitgebreid aan de orde. 'De stoffen die bij hun ontmoeting een heftige reactie met elkaar aangaan en elkaar wederzijds bepalen, noemen wij verwant,' legt de kapitein in het verhaal geduldig uit. En: 'de affiniteiten worden pas interessant als ze scheidingen teweeg brengen.'



Die kapitein is één van de werkzame stoffen in het verhaal. Hij is een vriend van Eduard en samen met een zekere Ottilie, een nichtje van Charlotte, wordt hij als reagens in het verhaal ingebracht. Beiden zullen zij scherp reageren op de hoofdfiguren en als het ware een natuurlijke scheiding aanbrengen in die idylle van menselijke makelij. Eduard ontvlamt voor Ottilie, Charlotte raakt in de ban van de kapitein. De hele roman is een spel van scherpe contrasten, een netwerk van menselijke relaties die volgens een bepaald patroon, als betrof het een periodiek systeem van elementen, op elkaar reageren.



En je ziet dat het niet werkt, je ziet dat Goethe geen Mendelejev en een roman geen retort is. Het is niet zo dat het kunstmatige van de hele opzet de roman tot mislukken doemt. Wie bereid is zich de roman Ada voor de geest te halen (of er een aangename zomer voor uit te trekken) weet dat een tovenaar als Nabokov erin slaagt juist die kunstmatigheid om te zetten in grote ontroering. Maar Goethe komt zijn laboratoriumjas niet uit en zijn personages blijven stofjes.



Niet altijd, dat dient gezegd. Het elfde hoofdstuk geeft het verslag van een wonderlijke verwisseling. Eduard vervoegt zich 's avonds laat bij de kamer van zijn vrouw, maar is in vervoering van Ottilie. Charlotte denkt dat het de kapitein is die aan haar deur klopt. Beiden blijven zo bevangen in die persoonsverwisseling dat een door het huwelijk gewettigd herdersuurtje omgezet wordt in overspel. Het kind dat daar het gevolg van is vertoont trekken van zowel de kapitein als Ottilie. En het zal een tragische vroege dood sterven.



Deze gekunstelde maar niettemin aangrijpende scène vat de hele roman samen. De liefde die lijden doet, de schoonheid die vernietigd wordt door de zinnelijkheid, het krijgt bij Goethe een bijna Bijbelse toon naar de

teneur van Mattheus: 'wie een vrouw aanziet om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.' Tegelijk is er bijna geen ontkomen aan. De mens is met al zijn goede voornemens de speelbal van zijn lusten.



Daar zijn kastenvol goede romans over geschreven, maar die van Goethe is vooral een curiosum. Dat zal hij voor een deel geworden zijn door de werking van de tijd. De met behulp van onwaarschijnlijke dialogen opgezette structuur, het opgewekt uit de doeken doen van het scheikundige mechanisme, het komt op een moderne lezer over als een gebouw in de steigers. De keuze van de vertaalster om een statige getrouwheid te betonen versterkt die indruk alleen maar.
Die keuze is alleszins te billijken. Ria van Hengel is een vertaalster met een grote staat van dienst en haar vertaling is nauwkeurig en zorgvuldig. Maar een aansporing als die van Charlotte: 'Sta mij toe je uit te nodigen ook aan jezelf, ook aan ons te denken', komt op mij over als een op een hoge toneelschoenen uitgesproken frase en verankert het boek in een rococo dat de tragedie teniet doet.
Die Wahlverwantschaften verscheen in 1809, maar het leest, ook in deze vertaling, als een achttiende-eeuws experiment. Het boek blijft daarmee geschiedenis en ik vrees dat wie het wil lezen als historisch document ook het Duits wel machtig is.


Meer over