202 Schilderijen Goudstikker terug

De Nederlandse staat geeft 202 schilderijen terug aan de erven van de oorspronkelijke eigenaar Jacques Goudstikker. Het gaat om werken die onderdeel uitmaakten van de handelsvoorraad zoals die begin mei 1940 bestond....

Van onze verslaggevers

De claim van de schoondochter van Goudstikker, Marei von Saher, betrof 267 werken. Van 202 werken vindt de commissie dat met de overeenkomst in 1952 geen afstand is gedaan van de eigendomsrechten. Toen schikte de weduwe Goudstikker met de Nederlandse staat, en deed daarmee afstand van kunst die in de oorlog door de nieuwe eigenaar van de kunsthandel aan nazi Hermann Göring waren verkocht. Goudstikker was op de vlucht naar Engeland omgekomen. De werken uit deze ‘Göring-levering’ gaan naar de erven.

Veertig werken worden niet teruggeven omdat deze in mei 1940 niet toebehoorden aan Goudstikker. Daarnaast worden 21 schilderijen niet teruggegeven omdat de Restitutiecommissie, die de Nederlandse regering adviseert over teruggave van oorlogskunst, vindt dat de weduwe Goudstikker in 1952 duidelijk afstand heeft gedaan van de werken. Vier stukken uit de claim worden vermist.

Van der Laan kondigde gisteren aan dat er geen tegemoetkoming van het rijk komt voor de getroffen musea. Bij bruikleen hoort volgens haar beheer, en daar vallen ook eventueel gemaakte restauratiekosten onder.

De staatssecretaris noemde de teruggave ‘een aderlating’. Zij riep musea op tot samenwerking om gaten in de collectie op te vullen. Ook wil Van der Laan onderhandelen met de erven, om ‘bepaalde kunstwerken voor het publiek toegankelijk te kunnen houden.’

De Restitutiecommissie stelt dat ‘het publieke belang teruggave niet in de weg staat’. De voorzitter van de Restitutiecommissie Asscher zei gisteren dat de Goudstikker-collectie volgens hem nooit bedoeld is voor cultuurbezit, maar voor de verkoop. De belangrijkste werken, nu topstukken in Nederlandse musea, zijn door Goudstikker in het buitenland gekocht en behoren niet tot het publieke domein.

Vorige week werd de bekendmaking van de teruggave uitgesteld, omdat minister Donner van Justitie de formulering wilde aanpassen. Het restitutiebeleid wordt sinds 2001 minder strikt juridisch en meer vanuit moreel oogpunt benaderd.

Op een aantal punten wijkt Van der Laan dan ook af van de formulering van het advies van de Restitutiecommissie. Anders dan de commissie vindt zij dat er in 1999, toen haar voorganger Aad Nuis besloot de werken niet terug te geven, dat er wél sprake is van ‘afgehandeld rechtsherstel’. Van der Laan benadrukt daarom de morele gronden van het besluit. Omdat het hier een bijzonder geval betreft, ‘zoals onvrijwillig bezitsverlies en de afwikkeling van de zaak begin jaren vijftig’.

Ook gaat Van der Laan niet over tot vergoeding van financiële verliezen van kunsthandel Goudstikker tijdens de oorlog, en geeft zij geen vergoeding voor de werken die de Nederlandse staat in de jaren vijftig heeft geveild. Dit ‘om consistent te zijn met eerdere beslissingen en om precedentwerking te voorkomen’.

Van der Laans voorganger Aad Nuis, staatssecretaris van Cultuur van 1994 tot 1998, wees de Goudstikker-claim af. ‘Ik moest wel’, zegt hij nu. ‘Destijds waren er onvoldoende gronden om hem toe te wijzen.’ Toch is hij niet teleurgesteld – integendeel zelfs. ‘Het is heel goed dat die er nu wel zijn.’

Tijdens zijn staatssecretariaat ontbrak het zowel aan feitelijke als aan juridische kennis van de roofkunstzaken. ‘Zo vreesden wij nauwelijks meer erfgenamen te kunnen vinden: de oorlog was toen al vijftig jaar voorbij.’

Meer over