InterviewDick Stegewerns

14 Japanse klassiekers in Amsterdam: eindelijk kan filmmuseum Eye los met een retrospectief

Filmmuseum Eye in Amsterdam presenteert de oogst van 100 jaar Shochiku, de Japanse filmstudio die goed was voor vele filmklassiekers. Op het programma staat onder meer een 9,5 uur durende oorlogsfilm.

Bor Beekman
De 9,5 uur durende Japanse oorlogsfilm The Human Condition (1959) is onderdeel van het Japan-retrospectief in Filmmuseum Eye in Amsterdam Beeld
De 9,5 uur durende Japanse oorlogsfilm The Human Condition (1959) is onderdeel van het Japan-retrospectief in Filmmuseum Eye in Amsterdam

Ze hadden er zelf niet zo aan gedacht bij de Japanse theater- en filmproducent Shochiku; dat de filmtak al bijna honderd jaar bestond. Daar was een Nederlandse japanoloog voor nodig, Dick Stegewerns, die vijf jaar geleden langs ging op het hoofdkantoor in Tokio, nabij de oude vismarkt, met het verzoek of het mogelijk was iets feestelijks te organiseren rondom de verjaardag in 2020. Een rondreizend retrospectief met het beste en bijzonderste uit de catalogus van de studio, waar men al vroeg besloot zich te specialiseren in films over ‘gewone mensen’, in Japan aangeduid als het shomingeki-genre. Met de in 1923 als studio-assistent aangenomen Yasujiro Ozu als voornaamste troef: de latere grootmeester van het Japanse huiskamerdrama, tegenwoordig als enige cineast met twéé titels in de top-15 van de prestigieuze beste-films-ooit-gemaakt-lijst van Sight & Sound. Het Engelse filmtijdschrift houdt om de zoveel tijd ook een wereldwijde poll onder regisseurs, die Ozu’s zachtjes schrijnende familiedrama Tokyo Story uit 1953 bij de vorige stemronde op plek één plaatsten. Bóven het eerder altijd favoriete Citizen Kane, de Bohemian Rhapsody van de filmcanon.

Van links naar rechts: filmposters van Carmen Comes Home (1951), Night and Fog in Japan (1960), Good for Nothing (1960). Beeld
Van links naar rechts: filmposters van Carmen Comes Home (1951), Night and Fog in Japan (1960), Good for Nothing (1960).

Maar Shochiku was ook de plek waar de Japanse new wave opbloeide in de jaren zestig, met de politiek explosieve vroege films van Nagisa Oshima, eveneens eigen studiokweek. De regisseur vertrok ook weer vlot, nadat de studiobonzen zijn klassieker Night and Fog in Japan na een week al uit de Japanse bioscopen hadden teruggetrokken, uit angst voor ‘onrust’ in de samenleving. In de jaren zeventig raakte de studio achterop bij de tijdgeest, koersend op platter vermaak, om begin jaren negentig plots internationaal succes te oogsten met de yakuzafilms van Takeshi Kitano. Die werd als populair tv-komiek in eigen land eerst niet serieus genomen als cineast, wat veranderde nadat hij met Sonatine furore had gemaakt op het filmfestival van Cannes, zijn speelse en verstild-gewelddadige portret van een moegestreden maffia-onderbaas (Kitano zelf). Quentin Tarantino noemde zich een groot fan van zijn Japanse collega.


Weer wat generaties later was het de Shochiku-studio die Departures uitbracht, het stemmige begrafenisbegeleiders-melodrama dat in 2008 de Oscar won. Pas de eerste en nog altijd enige bekroning van Japan in de landencategorie, wat wel een filmhistorische gotspe mag worden genoemd. De Japanse samoerai-gigant Akira Kurosawa, die werkte voor de studio van concurrent Toho maar onder de Shochiku-paraplu twee van zijn minder bekende titels opnam (o.a. Scandal), werd op hoge leeftijd nog wel geëerd met een carrière-Oscar, dat goedmakertje van de Academy voor al te ernstige omissies uit het verleden.

 Filmposter van Twenty-Four Eyes, Japans drama uit 1954 Beeld
Filmposter van Twenty-Four Eyes, Japans drama uit 1954

De twee Japanse broers die de studio in 1920 oprichtten, waren sinds 1895 al actief als producenten en vertoners van kabuki-theaterproducties. ‘Dus toen ik langsging in Tokio hád het bedrijf al een eeuwviering achter de rug’, zegt Stegewerns. ‘De beginjaren van de Japanse cinema waren filmisch niet zo interessant: je zette gewoon een camera voor een kabuki-theaterstuk en dan had je een film.’ Dat veranderde in de jaren dertig, toen Shochiku als eerste Japanse studio een afgevaardigde (de derde broer) naar Hollywood zond om te zien hoe ze het daar deden. Op voorspraak van de Amerikaanse filmpionier Cecil B. de Mille werd de in de Verenigde Staten opgegroeide Japans-Amerikaanse acteur en cameraman Henri Kotani ingelijfd en teruggebracht naar diens geboorteland. Daar werden alle mannelijke acteurs die beroepshalve vrouwenrollen speelden, zoals de kabuki-traditie vereiste, meteen ontslagen door de studio: voortaan speelden vrouwen vrouwenrollen. En omdat vrouwen meer tijd hadden om overdag naar de film te gaan, mikte de studio ook nadrukkelijk op een vrouwelijk publiek. ‘De eerste Japanse actrices speelden vaak sterke vrouwen, met als tegenspeler een mooie, zwakke man, die nodig was voor een fatale liefde.’

Stegewerns, universitair hoofddocent Japankunde aan de universiteit van Oslo, stelde al vaker Japanse filmoverzichten samen, onder meer voor filmmuseum Eye. Daar is vanaf deze week het vanwege de lockdowns vertraagde ‘100 jaar Shochiku’-programma te zien, dat eerder al Oslo, Helsinki en Kopenhagen aandeed. De 55-jarige japanoloog geniet ook enige bekendheid als kwaliteitssake-importeur (Yoigokochi Sake Importers). En wie wel eens een gesprek met een Japanse filmmaker bijwoonde op het Rotterdamse filmfestival IFFR, na afloop van een vertoning, moet hem ook hebben gehoord en gezien: Stegewerns is al decennia een van de vaste tolken van het Rotterdamse festival.

De liefde voor Japan ontstond dankzij een bijbaantje als operateur in het Dordrechtse filmhuis ’t Spuigat, waar hij, toen nog scholier, bevangen raakte door de in die tijd nog zeer schaars te verkrijgen Japanse films. ‘Het was iets onbekends, qua sfeer onvergelijkbaar met wat ik verder zag. Ik heb later de archieven van het Filmmuseum nog eens doorgespit, om te weten wat er vóór de late jaren tachtig nou eigenlijk is uitgebracht aan Japanse films in Nederlandse bioscopen. Natuurlijk Kurosawa’s Rashomon, die met de winst van de Gouden Leeuw in Venetië in 1951 de westerse ogen voor de Japanse film opende, en van Oshima een paar experimentele films. Maar verder: echt minimaal. Huub Bals (de IFFR-oprichter, red.) brak dat open. Hij kocht in 1980 ineens allemaal Japanse klassiekers aan. Een enorme inhaalslag; plots zag je het beste van het beste.’

De filmposter van het eerste deel van The Human Condition, 1959 Beeld
De filmposter van het eerste deel van The Human Condition, 1959

In 1989, tijdens de eerste festivaleditie na het plotse overlijden van Bals, was in Rotterdam ook eenmalig (en voor het eerst in Nederland) de 9,5 uur lange versie van Masaki Kobayashi’s The Human Condition te zien. Vaak beschouwd als ’s lands belangrijkste film over de Tweede Wereldoorlog, naar de semi-autobiografische roman van Junpei Gomikawa (Nederlandse vertaling, uit 2008: Menselijke voorwaarden). De film, gedurende 1959 en 1961 in drie delen uitgebracht door de Shochiku-studio, volgt de oorlogsjaren van held en humanist Kaji, eerst als werkkamp-supervisor, dan als keizerlijk soldaat en uiteindelijk als oorlogsgevangene van de Russen. Cineast Kobayashi, zelf ook oorlogsveteraan, was vastbesloten de stellingname van Gomikawa’s roman te behouden: ook zijn film zou Japan als agressor tonen, inclusief de wreedheden jegens de Chinezen, het aperte (en ook onderlinge) sadisme van het Japanse leger en de exploitatie van de ‘troostmeisjes’. Een aantal scènes uit The Human Condition doen opvallend denken aan die uit Full Metal Jacket; ook hier schiet een door z’n mede-rekruten getreiterde soldaat zichzelf door het hoofd, precies zoals in Stanley Kubricks Vietnamfilm uit 1987.

Stegewerns werkt aan een standaardwerk over de Japanse naoorlogse oorlogsfilms en reist daartoe binnenkort weer voor langere tijd naar Japan. ‘Zo’n boek bestaat nog niet, anders dan in de meeste grotere landen die deelnamen aan de Tweede Wereldoorlog. In Japan bestaat ook weinig consensus over de oorlog. Zelfs over de vraag wanneer die oorlog voor Japan precies begon bestaan verschillende ideeën. Tegelijk zijn er in Japan wel heel veel naoorlogse oorlogsfilms gemaakt. Sowieso worden er veel films gemaakt in Japan; tegenwoordig weer meer dan vijfhonderd per jaar.’

Vanaf links: Ornamental Hairpin (1941), The Human Condition III - A soldier's prayer (1961), Sonatine (1994). Beeld
Vanaf links: Ornamental Hairpin (1941), The Human Condition III - A soldier's prayer (1961), Sonatine (1994).

The Human Condition was in Japan een groot kassucces, al klonk er uit rechtse hoek ook wel kritiek op de ‘naïeve’ humanistische aard van het hoofdpersonage Kaji. Begin jaren zestig is de film ook uitgebracht in de Nederlandse bioscopen, weet Stegewerns. ‘Maar dan in een totaal verminkte versie van tweeënhalf uur. De recensenten konden er niks van maken.’ Zaterdag 19 februari vertoont Eye gedurende een dag en avond nog eens de complete trilogie, als onderdeel van het Shochiku-programma (de bezoeker wordt geacht voor ieder deel een los kaartje te kopen).

Het plan, nu alweer jaren geleden gemaakt, was om ook een enkele Japanse filmmaker of acteur of actrice uit te nodigen om het door Europa reizende retrospectief op te luisteren. ‘Tatsuya Nakadai bijvoorbeeld, de hoofdrolspeler van The Human Condition, die leeft nog en is opvallend fit. Maar ja, met covid was zoiets niet mogelijk.’ Wie even online speurt, treft daar al vlot de set-anekdotes van de kwieke bijna-negentiger Nakadai: hoe regisseur Kobayashi hem voor het slot van zijn film net zo lang liggend in de sneeuw liet filmen tot de acteur onderkoeld raakte. Ook zou het 100 jaar Shochiku-programma gepaard gaan met een sake-proeverij, die andere liefde van de Nederlandse japanoloog. Maar dit vervalt eveneens vanwege de virusbeperkingen. ‘Ik ben al heel blij dat we de films nu eindelijk kunnen vertonen’, zegt Stegewerns. ‘We schenken wel een glaasje sake bij de opening. En hopelijk bij nog wat Japanse klassiekers, zolang de voorraad strekt.’

100 jaar Shochiku: de beste films uit de beroemde Japanse filmstudio

Van 3 februari t/m 2 maart 2022 vertoont filmmuseum Eye in Amsterdam 14 speelfilms uit de rijke catalogus van het Japanse filmbedrijf Shochiku, dat 100 jaar bestaat. Een aantal van de titels is niet eerder in Nederland vertoond. De films zijn te zien op 35mm en als digitale restauraties, met live muzikale begeleiding bij de stille films en inleidingen door Japan-kenners, onder wie samensteller Dick Stegewerns. Een greep uit het programma: The Human Condition (Masaki Kobayashi), Tokyo Story, Late Spring (Yasujiro Ozu), Sonatine (Takeshi Kitano), Night and Fog in Japan (Nagisa Oshima).