reportageRaimond Wouda

100 jaar Tuindorp: ‘Door de smalle straten, de kleine, gehorige woningen, weten de mensen hier alles van elkaar’

Fotograaf Raimond Wouda werd geboren in Tuindorp Oostzaan en legde zijn levenslange liefde voor de Amsterdamse wijk vast in een boek én een tentoonstelling.

Uit het boek ‘Polder VIII’, 1998
 Beeld  Raimond Wouda
Uit het boek ‘Polder VIII’, 1998Beeld Raimond Wouda

Draai op het midden van het Zonneplein in de Noord-Amsterdamse volkswijk Tuindorp Oostzaan traag een rondje om de as, en je krijgt een indruk van de staat van het Nederlandse huisvestingsbeleid in neoliberale tijden. Bovenwoningen met bemoste daken. Beroete kozijnen met houtrot. Enkele dichtgetimmerde buurtwinkelpanden. En over de volle lengte van de winkelgalerijen gevels die zijn betimmerd met houten panelen. Een armoedige poging om achterstallig onderhoud of bouwkundig leed aan de blik van de passant te onttrekken.

Niets dan treurnis in het hart van de wijk die honderd jaar geleden in de beste tradities van de Amsterdamse sociaaldemocratie werd opgeleverd? Dat nou ook weer niet. Er is een hip (en prijzig) koffietentje waar expats wakker worden achter hun laptop. Het Zonnehuis, het lokale cultuur- en gemeenschapscentrum, is een periode van onbruik te boven gekomen en floreert, met een theatergezelschap over de vloer. En aan de woninggevels wappert overal de vlag waarmee het honderdjarig bestaan van Tuindorp, het eerste van Nederland in zijn soort, luister wordt bijgezet. Ten teken van de trots die de bewoners nog steeds voelen voor hun buurt, waar de straatnamen – Meteorenweg, Grote Beerstraat, Planetenplein, Kometensingel – getuigen van het streven naar het hogere dat idealistische Amsterdamse volkshuisvesters hoog in het vaandel droegen, zoals wethouder Floor Wibaut en directeur Arie Keppler van de Woningdienst.

2017 Beeld Raimond Wouda
2017Beeld Raimond Wouda

‘Dorp in de stad’

Op een nazomerse ochtend legt fotograaf Raimond Wouda (56) in het zonnetje bij de koffie graag uit waar zijn liefde voor Tuindorp Oostzaan is begonnen. En hoe zijn decennialange verbondenheid met het ‘dorp in de stad’ heeft geculmineerd in zijn schitterende tentoonstelling in het Amsterdamse Stadsarchief, plus het bijbehorende fotoboek Polder VIII, dat straks voor een vriendenprijsje aan de vaak niet zo draagkrachtige Tuindorpers wordt aangeboden.

Wouda’s overgrootvader heeft meegebouwd aan de Orionschool, die daar staat – Wouda wijst naar het westen –, hij heeft een archieffoto ontdekt uit het begin van de jaren twintig met de klusjesman op het houten skelet van het gebouw. De destijds moderne, snelle houtskeletbouw die alle oorspronkelijke, circa 1.320 woonhuizen, 36 winkelwoningen en 9 winkels van Tuindorp typeert. ‘Blijkbaar was mijn overgrootvader gecharmeerd van de huizen, want hij is hier meteen gaan wonen’, vertelt Wouda.

Raimond Wouda, 2 jaar oud, in de achtertuin van het huis aan de Zonneweg 
in Tuindorp.  Beeld Privéarchief
Raimond Wouda, 2 jaar oud, in de achtertuin van het huis aan de Zonneweg in Tuindorp.Beeld Privéarchief

Zijn grootmoeder woonde hier, zijn moeder ook en hijzelf werd er geboren. Een paar jaar na zijn geboorte verhuisde het gezin naar Slotervaart, maar Wouda bleef door een onzichtbare navelstreng met Tuindorp verbonden. ‘Elke zaterdag gingen we naar mijn oma, tot zeker mijn 12de.’ Daarna verhuisde het gezin naar Noord en kwam Tuindorp op wandelafstand. De buurt liet Raimond niet meer los: hij kent er bij wijze van spreken elke struik in de plantsoentjes. Roetsjte in de winter met zijn slee van de besneeuwde dijk aan de dorpsrand naar beneden. Viste er in de poldersloten op stekelbaarsjes. En beklom oneerbiedig aan de achtergevel van het Zonnehuis de vier heroïsche beelden van het gedroomde gezin – vader, moeder, twee kinderen – die het socialistische ideaal in steen belichamen. Beelden die, vermoedt Wouda, nu geen genade meer zouden vinden in de openbare ruimte, vanwege hun nadrukkelijke, expliciete naaktheid.

Klapstoelen in de voortuintjes

Terug naar het koffieterras. ‘Je ziet hier mooi het karakter van Tuindorp’, zegt Wouda. Smalle straten, meer voor fietsers en wandelaars dan voor auto’s. Het vele groen. Het dagelijks leven dat zich, getuige de klapstoelen in de voortuintjes, vaak buiten afspeelt. Oudere bewoners die elkaar op straat ontmoeten en van wie er een Wouda vanaf de scootmobiel met een hartelijk ‘Hé, schat!’ begroet. En naast elkaar: een dierenwinkel en een dierenkliniek – eerste levensbehoefte voor de Tuindorpers die nu eenmaal verzot zijn op hun honden en hun katten. Overal lopen ze rond met hun aangelijnde viervoeters – die kleine chihuahua’s en de gespierde vechtersbazen die gelukkig ‘nooit iets doen’.

Annie, 1990 en 2020  Beeld Raimond Wouda
Annie, 1990 en 2020Beeld Raimond Wouda

De bescheiden huurwoningen, van 65 of 90 vierkante meter, dat is de ene kant van Tuindorp. De woningen in eigen bezit of van beleggers en de (vaak in appartementen opgesplitste) vrijesectorhuurwoningen voor de meer welgestelden, dat is de andere kant. Het zijn twee werelden: de traditionele bewoners, de nazaten van de arbeiders die werkten op de NDSM en ADM, de grote, nu onttakelde scheepswerven vlakbij. En de nieuwkomers, de hogere inkomens die de huizen kochten die de woningcorporaties afstootten toen sociale huisvesting uit de mode raakte. In de geest van het neoliberalisme en VVD’er Stef Blok, de laatste minister van Volkshuisvesting, die er prat op gaat dat hij zijn complete departement wist op te heffen.

In het kielzog van de hogere inkomens kwamen de expats die alle talen spreken, behalve de taal van de volksbuurt. Ze zijn de tijdelijke bewoners die meestal niet zo veel bijdragen aan de gemeenschapszin die hier vroeger zo vanzelfsprekend was. ‘Laatst belde ik aan bij een huis, deed er een Chinese man open, of althans een Aziaat, die geen woord Nederlands sprak’, zegt Wouda. ‘Je vraagt je dan toch af: hoe komt zo iemand hier terecht?’

2012 Beeld  Raimond Wouda
2012Beeld Raimond Wouda

Saamhorigheid

Al meer dan dertig jaar volgt Wouda Tuindorps wel en wee met de camera. Toen hij student was aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, waar hij tegenwoordig fotografie doceert, maakte hij er, in 1990, portretten van bewoners – mooie karakters in zwart-wit. De foto’s verdwenen in zijn archief, maar eind jaren negentig laaide de liefde voor de wijk weer op: de gemeente had plannen om de wijk plat te gooien. Massaal verzet van de bewoners voorkwam dat en hun kennelijke liefde voor het geïsoleerde dorp, ver van het centrum en de stadse drukte, wakkerde Wouda’s belangstelling opnieuw aan.

Steeds meer viel hem op hoe nauw de sociale structuur en de architectuur van Tuindorp met elkaar zijn verweven. ‘Door het dorpse karakter, de smalle straten, de kleine, gehorige woningen, weten de mensen hier alles van elkaar. Er heerst hier van oudsher saamhorigheid, ook omdat door de kleine huizen het leven zich vaak in de open lucht afspeelt.’ De foto’s uit de jaren negentig bevestigen zijn woorden: jongeren flaneren volop, de tuinen vormen, gezien de toewijding waarmee ze worden verzorgd, een verlengstuk van de woning, de mannen drinken samen onder een poort aan het Zonneplein een biertje aan de ronde sta-klaptafel.

Wat minder oog lijkt Wouda te hebben gehad voor de verpaupering, door drugsproblematiek, criminaliteit, verwaarlozing, armoede, die ook aan Tuindorp door de tijden heen niet voorbij is gegaan. De wijk komt er gemiddeld genomen goed vanaf, de idylle van Wouda’s jeugd duurt in zijn foto’s voort. Toch komen in de tentoonstelling de schaduwzijden wel aan de orde. Want kleding, kapsels en uiterlijk voorkomen geven ook informatie over een bevolkingsgroep. En de bewoners kleuren de expositie met in lekker Amsterdams accent ingesproken audiofragmenten, waarin ze hun herinneringen en ervaringen hebben gedocumenteerd.

Uit ‘Polder VIII’, 1999 en 2015 Beeld  Raimond Wouda
Uit ‘Polder VIII’, 1999 en 2015Beeld Raimond Wouda

Eigen voordeur, eigen wc

Wouda heeft een schat aan foto’s opgediept (en opnieuw bewerkt) uit het Stadsarchief; het paradepaardje van de sociaaldemocratie werd goed gedocumenteerd. De eerste, van de baggerpolder aan het IJ die werd opgespoten ten behoeve van de nieuwe wijk. Dan de foto’s van de bouw, de skeletten die op betonplaten werden geplaatst. De simpele vormen, het metselwerk – in de ogen van nu van grote soberheid. Maar honderd jaar geleden een voor de arbeidersklasse ongekende weelde: een voor- en een achtertuin, een eigen voordeur, een eigen wc. Een paradijs vergeleken met de krotwoningen in de Staatsliedenbuurt of de Kinkerbuurt, waaruit veel nieuwkomers in Tuindorp afkomstig waren. Het was de armoede die daar heerste – overvolle portiekwoningen met poepemmers in plaats van toiletten – die de volkshuisvesters tot actie noopte.

Natuurlijk bleek Tuindorp niet het paradijs zoals Wibaut en Keppler het hadden gedroomd. De riolering was slecht, de ratten kropen door de wc’s omhoog. De straten waren van grind, met stofwolken tot gevolg, waarover huisvrouwen zich schriftelijk bij de burgemeester beklaagden. De achtertuinen werden niet benut voor het kweken van groente, zoals de idealistische bestuurders hadden bedacht. Binnen de kortste keren bouwden bewoners er schuurtjes en kippenhokken, volières en duiventillen. Een ‘hoendercommissie’ moest het tij zien te keren, maar anno 2021 moet worden geconstateerd dat de dierenliefde in Tuindorp prevaleert boven een plantaardig dieet uit eigen tuin.

1999 Beeld  Raimond Wouda
1999Beeld Raimond Wouda

De expositie legt voortdurend dwarsverbanden tussen heden en (nabij dan wel ver) verleden. Van recente jaren hink-stap-springt de bezoeker via de jaren negentig naar de historische foto’s, toen massa’s kinderen en jongeren de straten bevolkten. Naar de zomerse avonden waar ze flaneerden en met elkaar flirtten, de jongens hun Puch-brommers showden en jonge moeders wandelden met de kinderwagen, of hun baby de fles gaven, gezeten op de lage muurtjes naast de voordeur. Steeds diezelfde pleintjes, straatjes en plantsoenen, verspringend van het ene decennium naar een volgend, en weer terug: het vormt een wervelende tijdreis.

Met een overdonderende video, geprojecteerd op de zaalvloer, beziet een drone Tuindorp vanuit vogelvluchtperspectief. Traag zweven we boven de marcherende harmonie – een rijk cultuur- en verenigingsleven is de erfenis van de scheepswerven die hun personeel hierin ruimhartig sponsorden. Over de bloeiende tuinen en de popperige huizen, naar de plek die zeker in tijden van klimatologische oververhitting het kloppend hart van de buurt zal blijven vormen: het pierenbad waarin kinderen spetteren en badderen en volwassenen hun voeten koelen, gezeten in de overbekende, roemruchte witte kunststof kuipstoelen. Vanuit de lucht gezien moet dat hemelsblauwe bassin vol kindergeluk toch aardig in de buurt komen van de droom die de volkshuisvesters in 1921 voor ogen hadden.

Hart op de tong

Met Wouda slenter ik door de wijk. Langs een schoolgebouw (nu kinderopvang) waar onder een enorme boom die uit het eerste jaar van Tuindorp moet stammen een borstbeeld prijkt van Arie Keppler. Streng kijkt de volkshuisvester vanonder zijn hoge hoed de wijk in en als hij kon spreken, klonk er vast een vermanend woord tegen de zoveelste voorbijganger met aangelijnde hond.

De Tuindorpers hebben het hart op de tong, is Wouda’s ervaring, binnen de kortste keren vertellen ze je alles wat ze op hun lever hebben. Hij heeft het nog niet gezegd, of we worden meegenomen door een bewoner, een bekende van de fotograaf, die met zichtbare trots haar zelf opgeknapte huis laat zien, de grote tuin met de hele dag zon waarin een zwembad van 20 duizend liter past (dat nu wegens overbodigheid is afgebroken). De ruime schuur waar haar man aan zijn motor kan klussen. Maar ook: de scheuren in de gevels, het achterstallige onderhoud door de corporatie.

1998 Beeld Raimond Wouda
1998Beeld Raimond Wouda

Inderdaad, al heel snel vertelt ze haar familiegeschiedenis – een open boek. En zoals meer oudere bewoners constateert ze met enige bitterheid dat de kinderen van Tuindorp hier waarschijnlijk nooit meer zullen kunnen wonen, al heeft haar dochter geluk met een appartementje voor 800 euro per maand en het vooruitzicht op een gunstige koop van een welwillende oude eigenaar. Voor de meesten zijn de huizen hier onbetaalbaar.

We lopen terug naar het Zonneplein, door een straat waar jaren geleden een drama heeft plaatsgevonden. Een oudere man kwam te overlijden in zijn woning. Dat werd niet meteen opgemerkt, met tot gevolg dat zijn honden vraten van zijn stoffelijk overschot. ‘Ik sprak toen met een buurvrouw die er alles aan deed om de honden een nieuwe baas te bezorgen. Dat vond ik toch wel ontroerend’, zegt Wouda. Het zoveelste bewijs voor de dierenliefde waarvan het hart der Tuindorpers overstroomt.

Raymond Wouda: Polder VIII – Tuindorp Oostzaan, Amsterdam 1920-2020. Fw:Books, 256 pagina’s/ 148 afbeeldingen, Nederlands en Engelstalig. Vormgeving Hans Gremmen. € 35.

Expositie Thuis in de Stad. 100 jaar Tuindorp Oostzaan, t/m 9 /1, Stadsarchief Amsterdam.

Raimond Wouda

Raimond Wouda (1964) werd opgeleid aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, waar hij sinds 2011 zelf docent en coördinator is. Naast opdrachtwerk voor onder meer het Rijksmuseum, het Stadsarchief Amsterdam en de provincie Noord-Holland, heeft Wouda altijd eigen fotoprojecten gedaan, waarvan er een aantal in boekvorm zijn verschenen zoals Sandrien ( 2003 ) en A’dam Doc’K (2007).

Meer over