ColumnStephan Sanders

‘Zwart’ en ‘wit’? We doen maar een gooi naar een veel complexere werkelijkheid

Ik denk wel eens aan die pesterige uitspraak van schrijver Frans Kellendonk (1951-1990), maar toch nooit zo aanhoudend als de afgelopen week, toen het ‘racismedebat’ overal losbarstte. Daar vlogen ‘wit’ en ‘zwart’ onbekommerd over tafel, als ook ‘de mensen van kleur’, alsof dat niet de gehele mensheid zou omvatten. We hebben toch geleerd: ‘Wit is ook een kleur.’

Ondertussen deed iedereen of die begrippen glashelder waren, en verder geen toelichting behoefden. ‘We weten waar we het over hebben’ – zo noemde Kellendonk die houding. En zijn kritiek luidt: ‘In die houding blijkt een vreemde tegenspraak te zitten; de wezenlijke overeenstemming die communicatie mogelijk moet maken, maakt haar tevens overbodig, want als je het al zo gloeiend met elkaar eens bent, waarom zou je dan nog communiceren.’

Hoe zelfverzekerder we spreken over ‘witten’ en ‘zwarten’, hoe harder we overschreeuwen dat we maar een gooi doen naar een veel complexere werkelijkheid. Het gaat niet enkel om huidskleur, al blijft het wat mij betreft genadebrood vreten als mij door antiracismeactivisten barmhartig wordt toegestaan mijzelf ‘zwart’ te noemen. Niet omdat het lekker, maar omdat het beter is.

Voor de overgrote meerderheid zijn de mensen gemengd, zeker in Europa, en nog meer in Suriname en het Caribische gebied. Die zwart-wittweedeling is misschien politiek handig, maar laten we vooral niet vergeten dat we hier midden in de metafysica zitten, die zich aan het blote oog onttrekt.

Dat is zinnig als het om religie gaat of filosofie, maar voor de praktische politiek is dat geen aanrader.

‘We weten waar we het over hebben.’ Nee, zelfs als je ‘zwart’ en ‘wit’ als politieke of sociologische begrippen wilt opvatten, snijdt het geen hout. Is het verleden van Afro-Surinamers, met slavernij en al, onder een noemer te brengen met dat van mensen uit Noord-Afrika, of dat van de Ghanezen, waar de Ashanti bekendstonden als slavenhandelaren?

Dat was vroeger, terug naar nu. Komen al die gekleurde en zwarte Nederlanders dezelfde vormen van discriminatie en uitsluiting tegen? Ik weet het niet. Emma Brunt stelde zich pas voor hoe Wilders had geroepen: ‘Minder... minder Surinamers.’ Ze schrijft dat de zaal hem vol verbijstering zou hebben aangekeken.

Nog vervelender is dat via het raciale denken het begrip ‘ras’ weer volop meedoet, alsof we weten waar we het over hebben. Vooral de identiteitspolitiek heeft ervoor gezorgd dat ‘zwarte mensen’ niet alleen geacht worden eenzelfde kleur te delen, maar ook dezelfde geschiedenis, hetzelfde standpunt, dezelfde ervaringen, en hetzelfde jargon.

Het maakt nogal wat uit of je als bruin of zwart kind wordt geboren in Breda of in Baltimore, de VS. En het gekke is: het lijkt of sommige activisten niet kunnen wachten tot Breda Baltimore voorbijstreeft in ‘institutioneel racisme’.

Juist als er in instituties sprake is van racisme, vraagt dat om uiterste precisie. Waar? Wie maakt zich er schuldig aan? Is het de overheid zelf, dan moet helemaal de onderste steen boven. Want dat is simpelweg ongrondwettelijk.

Naast het politieke gevecht tegen onrechtmatige discriminatie, dat mijn volledige sympathie heeft, is er een soort clubgevoel ontstaan in de antiracismebeweging, niet zo veel verschillend van dat van het corps.

Jezelf ophemelen. Een eigen taaltje gebruiken. Buitenstaanders voorschrijven hoe te schrijven en te spreken. Bepalen wie ‘echt zwart’ is, wie ‘woke’. Dat heet: mores leren, en niet de machtelozen doen dat, maar juist de (kleine) groep die op het punt staat zelf macht te verwerven.

Het vreselijke begrip ‘inclusiviteit’ is onderhand een gemeenplaats, maar toch niet in de antiracismebeweging, waar een zware ballotagecommissie wacht.

Die zelfverheerlijking van het ‘zwart-zijn’, zonder precies te weten wat dat inhoudt, is bijna net zo vreselijk als de zelfverheerlijking van het ‘wit-zijn’. Ik zeg ‘bijna’, omdat de Europese geschiedenis onvoorstelbare voorbeelden laat zien waartoe het laatste kan leiden.

Op de website van De Groene Amsterdammer lees ik een interview met Shishani Vranckx, muzikant, Namibisch-Belgisch, en erg bezig met de genderrol. Geen ‘hij’ of ‘zij’, maar een ‘die’. De interviewer stelt vast: ‘Vranckx’ aanwezigheid is een unieke compositie op zich. Als een volledige symfonie in één mens.’

Zelfverliefd. Identiteitsverliefd. Met de juiste personalia ben je meteen al een ‘volledige symfonie’. Je hoeft er dus nooit meer een te schrijven. Get real

Dit is Stephan Sanders’ laatste vaste bijdrage voor deze krant.

Meer over