Column

Zonder media zijn terroristen nergens




Ik heb het filmpje waarin fotojournalist James Foley wordt onthoofd, niet gezien. Ik ga het filmpje waarin James Foley wordt onthoofd ook niet bekijken. Vandaag niet, morgen niet, nooit niet, hoe vaak het me ook wordt aangeboden.

En wat is het me al vaak aangeboden! De eerste die ermee kwam, was mijn eigen telefoontje, vroeg in de ochtend; via Twitter en Facebook rolde de link naar het filmpje tientallen keren voorbij. De echtheid van dat filmpje stond toen nog niet vast. Wel was er een verklaring, op Facebook, van de moeder van James Foley, die schreef dat ze nooit trotser was geweest op haar zoon. En er was een tweet van Kelly Foley - zus? nicht? -, die schreef: 'Alstublieft, eer James Foley en respecteer de privacy van mijn familie. Kijk de video niet. Deel het niet. Zo zou het leven niet moeten zijn.'

Een paar uur later hoorde ik Foley op de radio de verklaring afleggen die zijn beulen hem naar alle waarschijnlijkheid - zeker was er nog altijd niets - hadden opgedrongen. Ook hoorde ik hoe de vermoedelijke moordenaar in keurig Engels de Amerikaanse president Obama de verantwoordelijkheid voor de onthoofding van de fotojournalist in de maag splitste, en meteen ook voor die van een andere gevangen genomen, nu nog levende Amerikaan. De Britse premier Cameron keerde snel terug van vakantie.

Barbaars

Op NPO Radio 1 vroeg Jurgen van den Berg aan Joost Oranje, hoofdredacteur van Nieuwsuur, of hij het filmpje helemaal had gezien. Dat had Oranje. 'Ik vind toch dat je dat moet zien; of je het moet uitzenden, is een tweede.' Waaróm hij vond dat je het moest zien, vroeg Van den Berg. 'Het is zo gruwelijk', zei Oranje. 'Het geeft ook echt wel een schok als je het ziet; het is zo barbaars.'

Van den Berg hield vol: als de familie smeekt het filmpje niet te bekijken, waarom zou je het dan toch doen? Het was inderdaad heel moeilijk, zei Joost Oranje: 'Het heeft niet alleen nieuwswaarde, het is ook een propagandamiddel.'

Die zinnen had hij gerust mogen omdraaien. Natuurlijk zijn die filmpjes niets meer dan propagandamiddelen. Terroristen die beelden van onthoofdingen, martelingen en dode kinderen op het internet smijten, doen dat met één enkel doel: de mondiale emotie bespelen. Afschuw wekken, angst zaaien, woede oproepen, het liefst bij zoveel mogelijk mensen en met een maximaal effect.

En het heeft succes. 'Bij iedere nieuwsuitzending waarop door het IS-legioen onthoofde slachtoffers getoond worden, zwenkt het kompas van de Duitse samenleving meer in de richting van wapenleveranciers', schreef de correspondent Duitsland Frank Vermeulen afgelopen dinsdag in NRC Handelsblad. Gisteren vulde zijn eigen krant de hele voorpagina met de onthoofding van James Foley. 'Een voorpagina die je eigenlijk niet wilt publiceren', twitterde hoofdredacteur Peter Vandermeersch.

Zonder de media zijn terroristen nergens. Zonder YouTube, Facebook, Twitter, opiniesites, radio, televisie en de kranten, en zonder de miljoenen mensen die de filmpjes bekijken, zou de beul die James Foley vermoordde een gewone misdadiger zijn. Een ongeziene en ongehoorde anonymus. Een roepende in de woestijn.

Het is onze schuld dat hij dat niet is.

Deze week vervangen Wilma de Rek en Jonathan van het Reve Sheila Sitalsing en Bert Wagendorp

Meer over