ColumnPeter Buwalda

‘Zonder dynamiet sta je zwak’, legt hij uit. ‘Een one-horse town als Eindhoven leg je zonder staven niet in de as’

null Beeld

Niet onder de indruk van de rellen is onze vriend Arendsoog aka Bob Stanhope, of andersom, Bob Stanhope aka Arendsoog, ook goed. Zolang je maar niet, zoals Witte Veder zeker tien kinderboeken lang, ‘Bob Arendsoog’ zegt. Dan zijn de coyotekloten onmiddellijk gaar, grappig genoeg. Zie bijvoorbeeld pagina 36 van Arendsoog in de knel, de fraaie passage waarin Witte Veder na de zoveelste verspreking, zip-zip, ‘in het blootje van zijn blootje’ komt te staan, poëtisch gezegd zónder zijn rode adamspak, ergo: levend gevild.

‘Au’, gilt de Apache, die sinds kort kan lezen en nieuwsgierig in het boek bladert. Nu komt alles weer terug, natuurlijk. ‘Au, au, au’, kermt hij. ‘Weken ik één grote korst. Krak, krak, krak over prairie. Zo vele pijn!’

‘Gozer’, brult Arendsoog. ‘We hadden het niet over jou, we hadden het over de rellen.’

Die waren niet best, aldus de gepensioneerde cowboy. ‘Zonder dynamiet sta je zwak’, legt hij uit. ‘Een one-horse town als Eindhoven leg je zonder staven niet in de as. En hoezo te voet? Zie je mij en Witte ooit achter een trein aan rennen?’

Bedoelde horses staan in het strijkkamertje dampend haver te vreten. We zitten in de met wc-rollen en flessen drank en cowboylaarzen volgestouwde seniorenflat van het echtpaar. De sfeer is ontspannen. Witte heeft net gedoucht en ligt, kralenjurkje onder zijn oksels, ondersteboven in Arendsoogs leesstoel zijn, moet gezegd, imposante zak te epileren. (Indianen haten lichaamshaar. Je ziet ze bijvoorbeeld nooit met een baard of een snor.)

Jet is maar even op het balkon gaan staan, dat uitgeeft op een winkelcentrumpje waar in feite weinig van over is. Wat een ravage. De overkapping ligt in opgestapelde stukken op de parkeerplaats, zodat je meteen ziet dat de Jumbo tot op de tegels is afgefikt. Van slijterij Slokjes en Zonen resteert een geflambeerde krater. Opmerkelijk genoeg is de hakkenbar alleen totaal leeggeplunderd, ‘in verband met snelle doorstart’, verklaart Witte zichzelf nader, ‘slangenleren Sendra’s van Bobbi staan achter balie, voor nieuwe hakken en zolen, maandag na 16.00 afhalen.’

Het was een eenmansrel, gisterenavond. De indiaan was koud terug uit zijn tweede vaderland, Amerika, waar hij het Capitool had bestormd. Als een pofadder glijdt hij van de stoel, waarna hij als een steenarend midden in het kamertje gaat staan. Normaal kan het nooit, het moet altijd als een dier. ‘Uch! Witte enige halve viruszool die in twee vaderlanden baksteentje heeft bijgedragen. Uch!’

Arendsoog is wederom niet onder de indruk. ‘Roodhuid’, zegt hij op strenge, bijna vaderlijke toon, ‘het is nu twaalf uur na je grote geweldsuitbarsting in Etten-Leur. En? Goed gevoel? Dat je slijterij Slokjes en Zonen naar de vernieling hebt geholpen? Dat je de hakkenbar van ons eigen winkelcentrumpje schade hebt berokkend? Geeft dat een tevreden gevoel?’

Over het door zon en zand getaaide vollemaansgezichtje van Witte Veder zakt een beteuterde trek. ‘Bobbi vroeger heel onze dorp platgebrand’, sputtert hij.

‘En wat heb je gedaan met die spulletjes die je gestolen hebt, gisterenavond? Bij de hakkenbar? Bij slijterij Slokjes? En Zonen?’ Stanhope tilt een fles geroofd vuurwater hoog boven zijn Stetson.

‘Bobbi ouwe boomer’, sputtert Witte Veder, maar knielt toch als een euh... tamme hyena neer aan Arendsoogs bizonpluizen sokken. ‘Voelt dat goed? Nou?’

Nee, slecht, schudt de gitzwarte indianenkruin, waar bovenop Stanhope de fles vuurwater werkelijk knokenhard uit elkaar laat spatten.

Meer over