ColumnEva Hoeke

Zo vaak gebeurde het niet dat ik in deze skrale tijd een getatoeëerde vent op sokken op mijn bank had

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

Acht uur ’s avonds, er werd op het raam geklopt.

In het donker ontwaarde ik buurman Bas van de tattooshop aan de overkant, een man met een Slowaakse vrouw, twee honden, drie kinderen, een legertruck voor de deur en een ijzeren rolluik voor zijn raam, the only outlaw in the village. ‘Heb je tijd voor een bakkie?’, zei hij toen ik enigszins verrast opendeed. ‘Want ik weet onderhand niet meer of ík nou gek ben, of de rest.’

Even later zaten we binnen op de bank, ik in joggingpak, hij op zijn sokken, zijn bemodderde batsen had hij bij de deur gelaten. ‘Je weet dat mijn zaak al sinds maart dicht is’, stak hij van wal. ‘En dat de GGD mijn mondkapjes wilde hebben toen de coronacrisis net begon omdat ze zelf tekort kwamen.’

Ik knikte, ik wist het nog.

‘Nu heb ik weer iets geks aan de hand. Als tatoeagezaak moet je een vergunning hebben, dat is lógisch. Nou krijg ik maandag een mailtje van de GGD: meneer, uw vergunning loopt in april af, zorg ervoor dat u tijdig een nieuwe aanvraag indient. Dus ik vul gelijk dat formulier in. Een dag later belt een medewerker op: ze wilde zo snel mogelijk een afspraak maken. Dus ik zeg: hoe gaan we dat doen dan? Want als zij willen controleren of ik goed werk, moet ik wel iets te tatoeëren hebben. Maar ik mág geen klanten tatoeëren. Nee, zegt ze, dit is een GGD-keuring, dus dan mag het wel. Ik zeg: maar mevrouw, dat is toch raar? Op het moment dat ik geld wil verdienen om mijn gezin te onderhouden mag ik niet werken, maar als ik 400 euro ex btw mag betalen aan de overheid, want die keuring krijg je niet cadeau, dan mag het wél. Dat is toch gek?’

Het was klein bier hoor, dat wist hij zelf ook wel, maar bovenop al het andere begon hij zich toch eens achter de oren te krabben. Buurman: ‘En toen dacht ik: nou ben ik benieuwd wat júllie daarvan vinden. Want iedereen zit altijd maar in zijn eigen bubbel. Als ik het aan de jongens van de schietclub vraag, geven ze me allemaal gelijk. Maar dat doen ze ook als ik zeg dat de lucht groen is. Daar héb ik niks aan. En jullie staan zo anders in het leven, dat lees ik natuurlijk in die stukkies, dat ik dacht: even horen wat zij ervan vinden.’

Het was niet eens bedoeld als sneer, hij stelde slechts een feit vast, het niet te missen cultuurverschil tussen hem en ons, zoals je dat ook kon voelen in het café of aan het schoolplein, hoe vaak ik ook zei dat ik tien minuten verderop was geboren en getogen. Hij voegde eraan toe: ‘Als je zegt: wat loop je nou te zeiken man, vind ik het ook goed, hè?’

Nou, dat vond ik helemaal niet, en bovendien, zo vaak gebeurde het niet dat ik in deze skrale tijd een getatoeëerde vent op sokken op mijn bank had, dus ik wilde net een voorbeeld geven van eigen leed toen ik de achterdeur hoorde opengaan en de Man binnenstapte, mopperend. ‘Wat ik nou weer meemaak in de trein.’ Vanaf de bank keken buurman en ik elkaar betekenisvol aan: kijk, dat bedoelden we dus.

Even later werd er een fles wijn opengetrokken en deelden we verhalen over rellende jongeren, falende instanties en het gezin even verderop dat was verlinkt door hun bloedeigen tante, want dat kreeg je nu ook hè, breuken binnen families. En verbroedering tussen buren, dacht ik er tevreden achteraan.

Meer over