Ze werken hard en willen ons niet vermoorden

Alleen een streng immigratieregime trekt migranten aan die van hun migratie een succes weten te maken, voor zichzelf én het gastland.

Het is nog even wennen, maar langzaam lijkt de publieke opinie in Nederland weer waardering te krijgen voor migranten. Het woord ‘gelukzoekers’ hoor je nauwelijks meer. Dat mag ook wel, want de laatste jaren hebben we een stille migratiegolf over ons heen gekregen, die bijna alleen maar voordelen heeft gebracht. Meer dan honderdduizend Polen hebben voor ons het vuile, laaggeschoolde werk gedaan en daarmee de werkgelegenheid van duizenden Nederlanders en het voortbestaan van honderden bedrijven veilig gesteld.

Ook onze gemeenschappelijke portemonnee voer daar wel bij, want de Polen hebben belastingen en premies over hun loon betaald zonder daar veel voor terug te vragen. Het aantal Polen dat een bijstands- of invaliditeitsuitkering ontvangt is miniem, terwijl ze nauwelijks kinderen of ziekelijke en bejaarde ouders naar Nederland hebben laten overkomen, die dure zorg of speciaal onderwijs vereisen. Zelfs op inburgeringcursussen kunnen we sparen, want de Polen zijn vaak maar kort hier om daarna weer terug te gaan naar huis of door te reizen naar een ander rijk EU-land.

Geen wonder dat ook de buurlanden enthousiast zijn. ‘They work hard and they don’t want to kill us’, liet een Engelse minster zich ontvallen om deze uitspraak overigens meteen daarna te ontkennen.

Niets bijzonders

Dat de Polen ons zo goed bevallen, zou niets bijzonders moeten zijn. Historisch gezien is het normaal dat immigranten harder werken dan de autochtonen, meer bedrijven stichten, meer banen scheppen, meer sparen, minder uitkeringen ontvangen, en het werk doen dat wij links laten liggen. Van dat soort migranten kun je er nooit genoeg hebben. In hun boek Komen en gaan. Immigratie en emigratie in Nederland vanaf 1550 (Bert Bakker, 2008) sommen Herman Obdeijn en Marlou Schrover de vele succesvolle immigrantengroepen keurig op. Tegen de verwachting in maken ze echter geen uitzondering voor de Turken en Marokkanen, want volgens de auteurs is hun immigratie niet mislukt. Alle nieuwkomers hebben nu eenmaal moeite zich een plaats te verwerven in de Nederlandse maatschappij; bij sommigen duurt dat alleen wat langer dan bij anderen.

Dat er geen sprake zou zijn van een breuk met het verleden, wordt helaas door de feiten weersproken. De Turkse en Marokkaanse gastarbeiders vormen wel degelijk een uitzondering in onze migratiegeschiedenis. Van hen, die rond 1970 onder aan de Nederlandse arbeidsmarkt waren begonnen, had in 1995 de helft geen vooruitgang geboekt en was eenderde werkloos geworden. In 2000 ontving meer dan de helft(!) van de Turkse en Marokkaanse mannen boven de 40 een arbeidsongeschiktheidsuitkering en daar dienen een onbekend aantal bijstandstrekkers nog bij te worden geteld.

Noch de Vlaamse textielarbeiders uit de 16de eeuw, noch de hugenoten uit de 17de eeuw, noch de asjkenazische Joden uit de 18de eeuw of de Duitse hannekemaaiers en dienstmeisjes uit de 19de en 20ste eeuw hebben ooit zo massaal en zo lang hun hand opgehouden. Zelfs de eerste en tweede generatie migranten uit het voormalige Nederlands-Indië, uit Suriname, alsmede de asielzoekers zijn economisch weerbaarder gebleken dan de Turken en Marokkanen, terwijl – let op de paradox – alleen deze twee laatste groepen expliciet als arbeidsmigranten zijn binnengehaald.

Arbeidsongeschikt

Hoe heeft het zo fout kunnen gaan? Het is onmogelijk één schuldige aan te wijzen, want het waren er velen. Deels waren dat de Nederlandse wervers, die ongeschoolde Turken en Marokkanen naar Nederland haalden voor één soort werk, hoewel ze wisten dat deze groep bij werkeloosheid een zware last zou worden. Voor een deel lag de schuld bij de Nederlandse werkgevers, die en masse de arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben misbruikt om van hun moeilijk herplaatsbare Turken en Marokkanen af te komen.

De gemeenten dragen ook schuld, omdat ze hebben toegestaan dat er getto’s ontstonden, waar de bewoners met behulp van uitkeringen zonder verplichtingen, formulieren in het Turks en Marokkaans en met veel schotelantennes Nederland konden ontlopen. En ja, de schuld lag ook bij de Turken en Marokkanen, die zijn gebleven, hoewel ze wisten dat ze nauwelijks meer een kans maakten op de Nederlandse arbeidsmarkt, geen moeite deden de taal te leren en zich te scholen en niet probeerden te integreren door een steeds maar aanzwellende stroom familieleden en huwelijkspartners uit het land van herkomst te laten overkomen.

Met de komst van de Polen hebben we een nieuwe bladzijde in de Nederlandse migratiegeschiedenis voor ons. Door schade en schande wijs geworden, zijn de drempels om toegang te krijgen tot dure sociale uitkeringen veel hoger dan vroeger.

Bulgarije en Roemenië

Voor gesubsidieerde huisvesting moeten de Polen achteraan aanschuiven en net als wij gemiddeld 7 jaar wachten. En Polen zonder inkomen en met een beperkt arbeidsverleden in Nederland kunnen maar beter vertrekken, want een uitkering zit er niet in. Naar deze nieuwe flinksheid zal ook de volgende groep migranten uit Bulgarije en Roemenië zich moeten voegen. Arbeidsmigratie en weldadigheid worden in Nederland niet langer door elkaar gehaald.

Maar is die verandering van ons immigratieregime wel belangrijk? Dat de nieuwe immigranten zo succesvol zijn, komt toch door het levensgrote cultureel verschil tussen de Europese, meest katholieke, Polen en de achterlijke moslims uit het niet-Westen?

Daar zouden Wilders en Verdonk niet lang over hoeven na te denken. Voor hen is een succesvolle moslimmigrant een contradictio in terminis. Maar moslims uit het Nabije Oosten, die tot de middenklasse behoren, zijn in de VS en Canada juist zeer succesvol (zolang ze maar geen vlieglessen nemen).

Dat duidt erop dat alleen een streng immigratieregime zonder charitatieve ontsnappingsmogelijkheden migranten aantrekt, die van hun migratie een succes weten te maken – voor zichzelf én voor het gastland.

null Beeld
Meer over