ColumnEva en Eddy Posthuma de Boer

Ze tilt het broodje op, ruikt eraan, neemt een voorzichtige hap. Haar ogen schieten vol

Het leven door de ogen van de Posthuma de Boers; elke twee weken een foto uit het rijke naoorlogse archief van vader Eddy, met een tekst van dochter Eva. Vandaag: Een nieuw leven.

In Saoedi Arabië is het vandaag 21 graden, in Canada min 11. Het is een kou die Rahaf niet kent, die haar gezicht doet vlammen en haar tenen gevoelloos maakt. In de coffeeshop op de hoek van de straat waarin ze nu woont, vouwt ze haar tintelende vingers om een beker koffie. Ze sluit haar ogen een moment, opent ze geschrokken. Achter haar gesloten ogen huist de horror. De serveerster geeft haar de cinnamon roll die ze heeft aangewezen in de vitrine. Gisteren had ze een donut, eergisteren carrot cake, de dag ervoor een chocolate chip cookie. Elke dag schrijft ze in haar dagboek dat ze nu écht het allerlekkerste ooit heeft gegeten.

Rahaf gaat aan een tafel bij het raam zitten, op een roodleren bank. Ze neemt kleine slokjes van haar koffie. Hoe bedaarder haar handelingen, hoe kalmer ze haar hart en hoofd weet te houden. De cinnamon roll is warm. Ze tilt het broodje op, ruikt eraan, neemt een voorzichtige hap. Haar ogen schieten vol. Het is de kaneel. Die geur. Haar liefste zusje, ze ziet haar, hoe zij een hap zou nemen, lachend met haar ogen zou rollen van de lekkerte. Ze sliep in de kamer naast haar, hun bedden tegen dezelfde muur. Als ze aan het behang kriebelden, de oren ertegenaan gedrukt, was het alsof ze knuffelden. Haar oudste zus sliep naast haar en spuugde haar bij het opstaan in het gezicht, elke dag sinds de nacht dat Rahaf fluisterend opbiechtte dat ze zo niet langer wilde leven. Dat spugen vond ze nog erger dan de klappen die haar moeder haar gaf. Op haar wangen, snerpend. Maar niet zo erg als de kelder, de grom van haar vader als hij haar daarin duwde, het gevoel van tijd dat ze kwijtraakte, de machteloosheid in die duisternis, in dat zwart.

Fujairah (Verenigde Arabische Emiraten), 1980.Beeld Eddy Posthuma de Boer

Rahaf kijkt om zich heen, naar meisjes op de andere roodleren banken, de tassen bij hun voeten, hun grote gebaren, hun haren, los, krullend, hun handen door die haren. Onderweg naar werk, naar school, zelf, helemaal zelf. Ze is nu een van hen. Ze kan het niet geloven.

Aan de overkant van de straat staat een jongen met een baard. Hij draagt witte gympen. Die gympen beginnen te lopen. Schuin de straat over, recht op het raam af waarachter zij zit. In een fractie spant alles in haar zich aan en begint haar hart te beuken. Ze kijkt om zich heen, en weer naar de jongen. Hij kijkt naar rechts. De gympen volgen zijn blik en verdwijnen uit zicht.

Rahaf tilt haar tas van de grond en haalt er twee boeken uit. In het kleinste, haar dagboek, schrijft ze dat ze moet waken voor kaneel, ‘dat wekt tranen’. In het andere boek maakt ze oefening 9 en 10, over de werkwoorden to have en to be.

Meer over