OPINIE

Wijzen naar Goede Bedoelingen maakt Nederland onschuldiger als koloniale geweldpleger – ten onrechte

Oplaaiende discussies rond De Oost presenteren Nederlandse politiek-militaire gedragingen als welhaast rechtvaardig, en verkleinen zo de Indonesische vrijheidsstrijd, betogen Anne van Mourik en Roel Frakking.

Still uit De Oost. De film heeft het debat over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd nieuw leven ingeblazen. Beeld TMDB
Still uit De Oost. De film heeft het debat over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd nieuw leven ingeblazen.Beeld TMDB

De film De Oost toont ‘dat er een heel bloedige achterkant zat aan goede bedoelingen’, betoogt Maarten Hidskes (NOS, 8 mei / radioprogramma OVT, 16 mei). Hidskes, auteur van de bij de film verschenen roman De Oost, verwoordt daarmee de sfeer van de film: soldaat Johan de Vries vertrekt in 1946 om Indonesië te redden van Soekarno en ter compensatie van de daden van zijn NSB-vader. De film laat zo het herstel van het Nederlands koloniaal gezag zien, als een bijna logisch vervolg op de strijd tussen goed en fout in WOII.

Maar Hidskes’ interpretatie doet meer: door de goede bedoelingen te benadrukken, plaatst hij het Nederlandse daderschap opnieuw in een misleidend kader waar het al vanaf het begin van de Indonesië-oorlog in zit en de Nederlandse politiek-militaire gedragingen worden gepresenteerd als welhaast rechtvaardig, terwijl het de Indonesische vrijheidsstrijd verkleint.

Het trekken van deze ‘goede-bedoelingenkaart’ drukt ook discussies over het gewelddadige karakter van de strijd de kop in. Zoals historicus Peter Romijn het in De Lange Tweede Wereldoorlog stelt: het wijzen op goede intenties roept associaties op met slachtofferschap. Als de wil goed te doen leidend was, kan het Nederlandse geweld snel worden gezien als de schuld van de tegenstander. De Indonesië-oorlog blijven uitleggen als ‘uit de hand gelopen goede bedoelingen’, maakt het Nederlandse daderschap onschadelijk.

De Nederlandse gewelddadige herbezetting uitleggen als ‘geëscaleerde goede intenties’ is ook problematisch om wijdverbreid geweld te begrijpen. Hoe helpen ‘goede bedoelingen’ ons bij het verstaan van de Nederlandse geweldsdaden? Een vraag die niet alleen slaat op de Indonesische vrijheidsstrijd, maar ook op de hele koloniale periode waarin Nederland Indonesië gewelddadig en systematisch uitbuitte. Eeuwen die in Nederland graag worden genegeerd.

Het goede-bedoelingenconcept leidt tot versimpeling. Van wie waren die bedoelingen? Een soldaat had misschien geen kwaad in de zin, maar de bestuurders, die van meet af aan geweldsescalatie predikten? Welke mooie intenties zitten in het verdrijven van dorpsgemeenschappen en talloze andere wandaden die civiele en militaire autoriteiten, van laag tot hoog, onder het tapijt veegden? Er is niks goed aan het racisme, het economisch leegzuigen of de bloedige oorlogen die de ‘Pax Neerlandica’ voorschreef ver vóór de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Was dit alles noodzakelijk kwaad? Nee, ‘goede bedoelingen’ is vooral een noodgreep, zodra daderschap té dichtbij komt.

Nu er veel interesse is voor de Indonesië-oorlog , zou je denken dat we openstaan voor de complexiteit van Nederlands en Indonesisch geweld. Voor uitleg die inzicht geeft in de aard van het geweld, waarom het werd aangemoedigd, toegepast én verdoezeld. Maar dat het Nederlands geweld in de relatief korte onafhankelijkheidsoorlog maar een topje van de koloniale ijsberg is, blijkt nog steeds een té radicaal feit. De helft van alle Nederlanders bleek in 2019 trots is op het koloniale verleden: dat is méér dan in het Verenigd Koninkrijk. We zoeken oplossingen voor het ongemakkelijke gevoel dat we niet ondubbelzinnig aan de goede kant van de geschiedenis stonden, tot verdraaiing van feiten aan toe.

Het Nederlands slachtofferschap tijdens de Duitse bezetting en ‘ons’ verzet ertegen is vertrouwd. In WOII hoorden we bij ‘de goeden’, een fijn zelfbeeld. Nederlandse deelname aan militaire of humanitaire missies overzee, versterkt dit beeld al decennia. Maar een blik op ons daderschap in Indonesië dwingt tot een gelaagdere identiteit. Eén waarin Nederland meer is dan slachtoffer. Pas dan kunnen we afstand nemen van ons ‘beste jongetje van de klas’-denken en verantwoordelijkheid nemen voor de héle geschiedenis. Films zoals De Oost kunnen bij die transformatie helpen.

Anne van Mourik is promovendus aan het Niod Instituut voor Oorlogs-, Holocaust-, en Genocidestudies.

Roel Frakking is postdoctoraal onderzoeker aan het KITLV

Meer over