ColumnPeter Buwalda

Werk is niet leuk, nooit, en als het wel leuk is, is het geen werk

Lang geleden bereikte mij de vraag of ik fan was van Willem Elsschot.

Fan, fan geen echte fan, nee. Een ‘fan’ is een fanaat. Als ik een Elsschot-fan was, dan zou ik niet alleen zijn boeken herlezen tot de stukken eraan hingen, maar ook peperdure handschriften verwerven, plukken haar, vlaggetjes, en een dekbed met Elsschots geklede jas en benen erop, plus een kussensloop met zijn uitgestreken gezicht, zodat ik zowel ónder Elsschot kon liggen, als bovenop Elsschot.

Toch antwoordde ik: ‘Ik ben zeker een fan!’

Mooi. Fijn, zelfs. Wilde ik ambassadeur worden van een Elsschot-boek?

Leek me niks. Mezelf vertegenwoordigen is al een klus, laat staan een land. Maar, luidde mijn inschatting, het boek van een dooie was allicht minder werk.

‘Leuk’, antwoordde ik, een gevaarlijke kwalificatie als het om werk gaat. Werk is niet leuk, nooit, en als het wel leuk is, is het geen werk. Ik informeerde naar de vacante titels.

Hierop bleef het drie maanden stil. Wat me erg goed beviel, moet ik zeggen. Haast werd niet gemaakt, op zich al prima, beter nog was dat mijn tegenstanders dachten dat ik dat erg vond. Sorry voor de veel te late reactie, schreven ze, maar hopelijk wilde ik nog wel ambassadeur blijven?

Tuurlijk. Elsschot is mijn idool. Was het mogelijk dat ik Kaas, Lijmen/Het been, Het dwaallicht of Tsjip/De leeuwentemmer kreeg? Die had ik, op De leeuwentemmer na, gelezen, namelijk.

Bewondering was mijn deel. De andere Elsschot-fans kwamen meestal niet verder dan Kaas. Als ze al iets gelezen hadden. ‘Dus je bent nu al een aanwinst voor onze uitgaven!’ Ik glom van trots, maar was ook droevig. Voor mijn geestesoog stonden tien collega-ambassadeurs te trappelen als paardjes om snedige superlatieven de wereld in te sturen over boeken die ze innig koesterden, maar nog wel even moesten lezen.

Of ik in het najaar Een ontgoocheling wilde ‘doen’. Rare vraag. Stond deze titel in mijn lijstje? Nee hè? Nee.

Nee, dus.

Geen probleem, werd mij acht maanden later verzekerd. Ze hadden van mijn lijstje alleen nog Tsjip/De leeuwentemmer.

Krakend schoof ik in een diplomatieke spagaat. Tsjip vond ik een prima boekje, maar, nu ik er doorheen bladerde, geen Lijmen. Het moest van De leeuwentemmer komen, maar dat kende ik nog niet. Kwam bij dat ik zelf nogal hard zat te writen, inmiddels, zeg maar: altijd. (Elsschot had makkelijk praten, die had er nog gewoon een baan naast.)

‘Leuk’, loog ik.

Waaraan ik het verdiend had, lezer, geen idee, maar De leeuwentemmer is een draak. Zemelig proza over een bloedirritant kleinzoontje dat bloedirritante vragen aan zijn opa stelt, die helemaal vertederd is. ‘Ik zie ervan af’, mailde ik, ‘De leeuwentemmer viel me ietsje tegen.’ Niet erg, ze kwamen een filmpje maken! Gewoon op Tsjip focussen. Goed?

Leuk.

Wat erop volgde is niet leuk, een afloop waarvoor ik me een beetje schaam. De fase van het harde kapotwriten was aangebroken. De filmploeg heb ik twee keer afgebeld, steeds toen ze ongeveer de straat in reden, tirades die ik me aldus herinner:

‘Draai maar om! Ik kán niet over Elsschot praten! Niet over Elsschot! Ik kán het niet! Ik weet niet wie Elsschot is! Ik ken geen Elsschot! Ga weg!’

Meer over