laat het stoppen

Welke luxe wacht ons daar dan, in de eerste klasse van de NS?

null Beeld

Moderne verschijnselen: we komen er in om. Maar we hoeven ons er toch niet altijd bij neer te leggen? Er zijn zaken waar we ons tegen ­kunnen – nee, móéten – verzetten. Neem nou deze week: de eerste klas van de NS.

Ik liet me natuurlijk niet kennen. ‘We gaan wel in de eerste klas hoor’, zei de vriendin met een afkeer van mensen en alles wat ze uitstoten, en ik zei kalmpjes ‘natuurlijk’. Hooggespannen waren mijn verwachtingen niet, ik had het rode, lege gestoelte weleens vanuit de onderklasse gezien, niks bijzonders, maar die meerprijs moest toch een hink-stap-sprong in luxe betekenen? Wat voor elitereservaat school daar achter die glazen deuren, waarvoor de rest elkaar dij aan dij moet verdragen?

De wifi zou daar vast wél werken, drie kwartier in die stoelen moest het effect van een wellnessvakantie hebben, misschien kwam er wel een stewardess langs met koele, in patchouli gedrenkte handdoekjes en koffie met cognac?

Niets daarvan. De stoelen bieden een fractie meer wiebelruimte, het internet is er barbaarser dan in de allervroegste inbeltijd, en je moet als eersteklasser nog steeds gebruikmaken van hetzelfde toilet als het voetvolk, waar altijd kak op het plafond zit. Hebben ze in de eerste klas dan tenminste fatsoenlijk geproportioneerde prullenbakjes, waar meer in past dan een natte krant? Zelfs dat niet. Ooit schijnt het een fluwelen hemeltje te zijn geweest, die eerste klas.

Nu gaat een mens alleen nog naar de eerste klas, om de tweede klas niet te hoeven tegenkomen – en ook dat niet echt, want ik hoorde en zag ze, de stakkers waartoe ik ooit behoorde. Bij drukte komen die tweedeklassers zelfs tegenover je zítten, en dan blijk ik ook zo’n hooghartige trut te zijn die denkt: ho ho, jíj hebt niet betaald voor de eersteklas, tenminste, zo lijkt het, je schat eens in of die verschijning tegenover je nu eerste of tweedeklas lijkt, echt lullig eigenlijk, straks zit je nog verkeerd, hoe dan ook zou je er nooit iets van zeggen natuurlijk, want je kunt je nog herinneren dat je zelf tweedeklasser was.

En waarom moeilijk doen, ik had dus precies nergens voor betaald, behalve voor zitgarantie. Met het opheffen van de eerste klas vergroten we de algehele zitkans – 20 procent extra capaciteit erbij is nooit weg. Maak dan van de stiltecoupé een totalitaire coupé, waar het geringste geluid je op onmiddellijke evacuatie komt te staan, en klaar ben je. In vooruitstrevende oorden als Groot-Brittannië, Friesland en Groningen zagen ze het licht al – in Arriva-treinen is het klassenverschil verdwenen. Ook in veel sprinters is het aantal eersteklasstoelen teruggebracht tot een schaamtevol skyboxje achterin.

Maar comfort kun je overal bijkopen, zegt de hardcore eersteklasser, dan kunnen we alle prijsdifferentiatie wel afschaffen. Maar wat ís het comfort hier?, behalve een vertaling voor klasse? Inderdaad, je kunt overal comfort bijkopen – onze economie draait daar min of meer op – maar dat geldt voor een ander soort diensten: de trein is niet hetzelfde als een vliegtuig of een cruiseschip.

Het ov is een publieke voorziening, waarvoor de overheid zorgdraagt. Net als onze wegen, daar hebben we ook geen doorscheurbaan speciaal voor belastingbox 3. Ooit was er trouwens ook een eerste klas in het ziekenhuis: voor de klassentoeslag kreeg je een eersteklaskamer, helemaal voor jezelf, met beter eten schijnbaar, zonder die drilpudding en poederige puree – die is in 2006 bij wet afgeschaft. Jammer, ook die ervaring had ik best één keertje klagend willen ondergaan.

Meer over