ColumnSylvia Witteman

Wel jammer dat ik nog steeds niet wist op wie ik moest stemmen, toen ik aan de beurt was

null Beeld

Om het feest der democratie wat extra luister bij te zetten, besloot ik te gaan stemmen in de ‘kerk van het Allerheiligst Hart van Jezus’, in de lompe volksmond beter bekend als de Vondelkerk. Niet dat Vondel er ooit een voet heeft gezet, want die was al twee eeuwen dood toen die kerk gebouwd werd, maar Jezus ook niet, met of zonder Allerheiligst Hart.

Het was lang geleden dat ik in de rij had gestaan voor een kerk, maar omdat iedereen alleen maar even kwam stemmen schoot het een stuk beter op dan bij de Sint-Pieter in Rome. (Tip: van de Sint-Pieter bestaan een heleboel mooie, scherpe foto’s. Ga niet naar de Sint-Pieter, waar u drie uur in de rij moet staan tussen de troepen strompelende Ethiopische nonnetjes en Poolse snollen die om het hardst door de fresco’s heen kijven, maar bekijk thuis in een makkelijke stoel rustig de foto’s, gemaakt door iemand die dat een stuk beter kan dan u.)

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie

Vóór me in de rij voor de Vondelkerk stond een vrouw te telefoneren die met zó veel sappige details verslag deed van haar scheidingsperikelen dat de tijd voorbij vloog. (‘Moet je nagaan, hij heeft dus gelijk een Birò voor dat wijf gekocht. Een fucking Birò! En daar rijdt ze nou in rond, in dat kutautootje, met zo’n kapsoneskop van wie doet me wat. Op en neer naar de Frietboutique voor een garnalenkroket van 5 euro.’)

Voor ik het wist was ik al aan de beurt. Wel jammer dat ik nog steeds niet wist op wie ik moest stemmen. Van al die partijen lijkt toch zeker driekwart het beste met ons voor te hebben. Nee, dan hebben Amerikanen het een stuk makkelijker.

Ik bekeek het rode potlood. Het was natuurlijk wel leuk geweest, een even grootse als subtiele verkiezingsfraude, als op al die miljoenen rode potloden een piepklein PVV-meeuwtje, SP-tomaatje of FvD-Parthenonnetje had gestaan. Maar mijn potlood was zo blanco als een potlood maar zijn kan. Niet eens een merknaam of het obligate ‘HB 2’.

Ik keek omhoog, naar de ruime sortering glas-in-loodheiligen in het dak van de kerk, maar die hielden wijselijk hun mond. En ik dacht aan Gerard Reve. Die sprak, alweer vijftig jaar geleden, in deze zelfde kerk, de wijze woorden: ‘Je kunt je eigen ophangen, en je kunt je eigen níét ophangen. Ik heb het besluit genomen om m’n eigen niet op te hangen.’

Kom, niet treuzelen, zei ik tegen mezelf. Kaag, in godsnaam dan maar. En dan de rest van de dag met dat rode potlood lekker hitlersnorren tekenen op alle verkiezingsposters in de stad.

Meer over