ColumnEva Hoeke

Wel geld voor kanker, geen geld voor psychische problemen. Hoe kan dat?

Beeld Aisha Zeijpveld

Eva Hoeke kan dit niet rijmen: Waarom wordt er 25 keer meer geïnvesteerd in kankeronderzoek, dan in onderzoek naar psychiatrische stoornissen? 

Bericht in de krant: een deel van de psychiaters voelt zich emotioneel uitgeput en denkt weleens aan stoppen. Waarom? De ggz-sector is te groot geworden, de administratieve werkdruk te hoog en dan is er nog – het zal eens niet – de kwestie geld: er wordt in Nederland 25 keer meer geïnvesteerd in kankeronderzoek dan in onderzoek naar psychiatrische stoornissen. 

Christiaan Vinkers, onderzoeker en psychiater bij het Amsterdam UMC en initiatiefnemer van de ‘psychiaterthermometer’, waarvoor 816 psychiaters uit Nederland en Vlaanderen een vragenlijst hebben ingevuld: ‘Een schril contrast met de enorme maatschappelijke urgentie van psychiatrische onderwerpen als verwarde personen, toegenomen suïcidaliteit onder jongeren en de miljoenen Nederlanders die met psychiatrische problemen te maken krijgen.’

Wel geld voor kanker, geen geld voor psychische problemen.

Misschien, dacht ik, omdat er meer mensen met kanker zijn? Nee: drie keer klikken op Google en je vindt dat er vorig jaar 117.600 nieuwe gevallen van kanker werden vastgesteld, tegenover bijna twee miljoen psychische klachten. Misschien omdat de psychiatrie een relatief nieuw medisch specialisme is, en dus nog niet helemaal voor vol wordt aangezien? Zou kunnen, ongetwijfeld, er zijn meer sectoren die met jaloezie naar de financiering van kankeronderzoek kijken, maar met 90.000 man op de wachtlijst kan de psychiatrie moeilijk op haar beurt blijven wachten.

Misschien speelt er nog iets anders mee, iets dat minder meetbaar is. Mensen met kanker zien we als mensen die we zélf zouden kunnen zijn. Gewone mensen, je vader, je moeder, de bakker en de buurman, aardige mensen die het niet hebben verdiend. Mensen met psychiatrische aandoeningen, dat zijn de Anderen. Eng, raar, met een vleugje eigen schuld. Hadden ze maar geen drugs moeten nemen, kijk eens, hoe die meneer zit te mompelen bij de bushalte. Kankerpatiënten verdienen ons mededogen, psychiatrisch patiënten mijden we. Uit angst, of onwetendheid, want maar weinig gezonde mensen kunnen zich voorstellen hoe het is om ziek te zijn. Voor hen is er de scan – niemand gaat in discussie wanneer een tumor zich haarscherp aftekent op een doktersscherm. Lastiger wordt het met een ziekte in je hoofd: we voelen ons allemaal toch weleens somber?

Ook bij mij kostte het een poosje voor ik relativering en eigen verantwoordelijkheid uit de discussie kon houden. Mijn Nieuw-Zeelandse geliefde Justin, depressief en suïcidaal, probeerde ik jarenlang uit het moeras te trekken met teksten waarmee ik zelf groot werd: een goede nachtrust doet wonderen, ga anders een rondje om, iedereen knapt op van frisse lucht, het heeft in ieder geval géén zin om eindeloos te blijven gamen met de gordijnen dicht. Goedbedoeld, allicht, maar de vraag is of ik tegen een kankerpatiënt zou hebben gezegd dat het wel meevalt met die tumor, hup, naar buiten. Toen die rondjes om niet hielpen volgde een eindeloze weg langs loketten, stempels, gestuntel, trial and error, ‘heeft u nooit/zelden/soms/vaak/altijd het gevoel dat u waardeloos bent?’, zoeken naar woorden, zoeken naar middelen, zoeken naar doseringen, met als dieptepunt de therapeut die voorstelde meer seks te hebben – vijftien jaar geleden was de psychiatrie kennelijk ook al uitgehold – om zo een gevoel van geborgenheid te creëren. Ja, dáár had ik zin in, met een man die van een humoristische archeoloog in een zombie was veranderd. Overigens dacht ik in al die jaren therapie nog steeds niet dat hij zou doen waar hij al die tijd aan dacht. Hij deed het wel.

Met twee miljoen mensen op jaarbasis kunnen we de psychiatrische patiënt niet langer de Ander noemen. Het is je vader, je moeder, de bakker en de buurman, aardige mensen die het niet hebben verdiend. Tijd om ze als zodanig te gaan behandelen.

Meer over