OpinieCafés

Weet je nog, de kroeg? In een café kun je ergens thuis zijn waar je het niet bent

Zolang er steden zijn, bestaan er cafés. Een kroeg bezoeken is een oud, diepmenselijk verlangen. Maar corona heeft ook Ingmar Heytze verbannen naar de kille openbare ruimte.

Een lege uitgaansstraat in Utrecht. Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant
Een lege uitgaansstraat in Utrecht.Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

Vaak ben ik er niet bij geweest, misschien één of twee keer. Het is ook alweer bijna een half leven geleden dat ik het soms zo laat maakte in een kroeg. Ik heb het over de avonden waarop de eigenaar van De Bastaard, stamcafé van schrijvers, dichters en theatermakers in Utrecht, tegen sluitingstijd het bordje achter de voordeur omdraaide, een paar biertjes neerzette en naast ons kwam zitten. Het gevoel dat een café, al is het voor een paar gestolen uren, niet alleen kan voelen als een huiskamer, maar het ook ís.

Wandelen door een lege stad heeft een zekere schoonheid. Vroeger moest je wachten tot het uur van de wolf, dat vreemde tijdstip tussen sluitingstijd en ochtendschemering, om die schoonheid te kunnen ervaren. Nu kan het gewoon overdag.

Unheimisch

In het genadeloze daglicht is zo’n wandeling unheimisch en verwarrend: de stad is een massief decor dat net zo goed achter een metershoog spatscherm had kunnen staan. Een Efteling die lege karretjes rondpompt. Een concertzaal waar niemand naar niets zit te kijken. Een natuurgebied waar het prachtige uitzicht, zodra je dichterbij komt, op een horizonvullende betonnen muur blijkt geschilderd.

Heimwee heb je doorgaans naar een plek waar je niet bent. Als ik nu rondloop in de stad, loop ik door mijn eigen heimwee heen. Ik ben precies waar ik zijn wil. Ik mag er alleen niet in. Of beter gezegd: ik kom de openbare ruimte niet uit. In winkels, waar ik met enig gehannes met mondkapjes en geschutter bij de deur naar binnen zou mogen, heb ik niets te zoeken. De plaatsen waarnaar ik werkelijk verlang zijn potdicht: de cafés.

Herinner je je de gelukkige tijd dat je gewoon een café binnen kon gaan als je daar zin in had? Zo’n volkomen basale behoefte, zo oud als de beschaving en zo vanzelfsprekend dat je je nog steeds niet kunt voorstellen dat het nu gewoon niet mág? Ja, je kunt een kartonnen bekertje met iets vloeibaars en een servetje met voedsel erin bestellen, contactloos betalen en weer doorlopen. Maar dat is geen café bezoeken, dat is een afhaalservice in de vaart houden.

Een goed café is een levenswerk, een bezielde plaats die leeft als een organisme, een lang doorlopend verhaal waarin iedereen die over de drempel stapt een rol krijgt. Het gaat er niet of nauwelijks om wat je in een café kunt bestellen – het gaat erom dat je ergens thuis kunt zijn waar je het niet bent. Dat je een dagblad of tijdschrift kunt lezen dat je nog niet kent, terwijl je af en toe opkijkt naar een uitzicht dat je thuis niet hebt. Het gaat om het gevoel dat je ergens voor het eerst kunt binnenstappen om te ontdekken hoe het daar is. Hoe goed een uitsmijter of appeltaart kan zijn in het dorpje waar je op de fiets ben gestrand met hongerklop. De gelagkamer waar het na een lange, koude wandeling zo heerlijk warm is, dat je een matige Irish coffee met opblaasslagroom drinkt alsof het nectar is. Een vreemde stad waar je je opeens thuis kunt voelen tussen vreemden, omdat je elkaar al pratend in vrienden ziet veranderen.

Het rondlopen in een stad en schrijven in cafés is ook een vorm van verdwijnen in de massa. Je wordt onderdeel van de bevolking, waar iedereen zijn eigen kant op gaat, zijn eigen leven leidt. Je wordt een van velen en dat is een goed uitgangspunt als je je hoofd wilt vrijmaken om iets nieuws te gaan schrijven, want goed schrijven is ook een vorm van maken dat je wegkomt.

Nu we thuis moeten zitten is iedereen óók verdwenen, al is het dan in zijn eigen huis. Wat dat betreft kan ik in dit stupide nieuwe normaal net zo goed aan de slag als in het oude. Je hoeft ook geen drankorgel te zijn om het café te missen. Juist niet. Jezelf latenvollopen gaat veel beter thuis – mijn slijter draait een topjaar. Ik ga er een beetje schuw naartoe, met het gevoel dat ik mijn cafébazen de laatste dolkstoot in de rug geef door thuis een eenpersoons bar in te richten en de ruimte onder de keldertrap vol te stouwen met wijn.

Ik weet een dranklokaal in Utrecht waar je alleen binnenkomt als je aanbelt en dan eigenlijk alleen als de eigenaar je kent. Je kunt aan de buitenkant niet zien of het open is, want de ramen zijn geblindeerd. Op een droeve dag, als het ooit ophoudt te bestaan, zullen de rolluiken met roestig geweld in wolken van dwarrelend stof omhoog ratelen en zal het daglicht voor het eerst in tientallen jaren weer bezit nemen van het interieur. Het zal zijn alsof er een oeroude tombe wordt ontsloten.

Ik hoop dat die dag nooit komt, ik laat het liever zoals het is – ik heb al zo veel interieurs van cafés en restaurants binnenstebuiten gekeerd zien worden dat ik in een vierdimensionale stad woon, waarvan een steeds groter deel is verdwenen in de tijd. In mijn hoofd schijnt het verleden als een spookbeeld door de stad heen. Ik vrees voor de stad die ik nog ken. Het duurt al veel te lang. Als het waait, hoor ik spoken met sloophamers loeien.

Huiskamer

Terug naar De Bastaard na sluitingstijd, in de gelukkige nachten dat we nog wat mochten naborrelen met de baas. Zelfs die huiskamer ging op een zeker moment dicht, dan mocht ik naar huis door de praktisch lege stad die ergens tussen slapen en waken hing, net als ik. In de binnenstad van Utrecht is dat een geschenk.

Dit jaar liep ik af en toe overdag langs De Bastaard, in de hoop dat de eigenaar achter het bordje ‘gesloten’ aan zijn kant van de bar met zijn stamgasten zat te praten en te lachen. IJdele hoop. Het café oogt zo donker en leeg als dat toverachtige, geblindeerde dranklokaal waarvan je normaal al nauwelijks weet of het wel of niet bestaat.

Ik ben bang voor de cafés waarvan ik houd. Sommige, vrees ik, gaan nooit meer open, hoe hard ik ook aanbel, op de deur bons en de naam van de waard roep. Alles gaat voorbij, het mooie en het lelijke, het goede en het kwade. Zo is het altijd geweest, zo zal het altijd zijn en iedereen krijgt een lang of kort leven om daaraan te wennen. Maar waar ik, denk ik, nooit aan wen: achterblijven, vanachter een scheidingswand moeten toekijken hoe zo veel zo snel verloren kan gaan.

Ingmar Heytze (1970, Utrecht) is dichter. Begin volgend jaar verschijnt De honderd van Heytze, zijn beste gedichten, zelf gekozen en toegelicht bij Uitgeverij Podium.

Meer over