ColumnMartin Sommer

We vergeten weleens dat de vraag naar de juiste omgang met de oorlog zelf een lange geschiedenis heeft

null Beeld

Hoe moeten wij ons de Tweede Wereldoorlog herinneren? Vandaag gaat het over Westerbork en of een vluchtelingenloop het concentratiekamp mag aandoen. We vergeten weleens dat de vraag naar de juiste omgang met de oorlog zelf een lange geschiedenis heeft. Na de bevrijding kwam Loe de Jong (1914-2005) terug uit Londen, waar hij directeur was geweest bij Radio Oranje. Dat was de propagandazender van de Nederlandse regering in ballingschap. Hij kwam uit een sterk geassimileerd Joods gezin, wilde ook later van het geloof weinig weten. Na terugkomst in Nederland kreeg hij al snel de opdracht een documentatiecentrum op poten te zetten, om de herinnering levend te houden. Die herinnering stond in het teken van ‘ons heldenvolk’ zoals koningin Wilhelmina het noemde.

De Jong was ambitieus en had een onwaarschijnlijke werkdrift. Hij bestelde als eerste project om terug te blikken drie boeken over de drie grote stakingen. De Februaristaking, de stakingen van 1943 en de Spoorwegstaking. Alle drie stonden in de toonsoort van het vaderlandse verzet tegen de Duitse laars. Er moest nog een vierde boek komen, dat niet in die reeks paste: de deportatie van ‘honderdduizend Nederlanders’, zoals het destijds heette. Ook Radio Oranje had kort na de bevrijding gewag gemaakt van de ‘meer dan honderdduizend Nederlanders die waren vermoord’.

Het was niet per se boze opzet om weg te laten dat het hier de moord op Joodse Nederlanders betrof. Nederland wilde niet discrimineren omdat de Duitsers dat hadden gedaan, legde de historicus Jacques Presser later uit. Men vergat daarbij dat de Joden het veel slechter hadden gehad dan de anderen, zodat die gelijkstelling juist discriminerend uitpakte.

De opdracht voor het boek ging naar Presser. Jacques Presser (1899-1970) was ouder dan De Jong, diens leraar geweest aan het Vossius-gymnasium in Amsterdam. Ook hij was Joods, en had tijdens de oorlog ondergedoken gezeten. Zijn geliefde vrouw Dé Appel was naar Westerbork gedeporteerd en daarna vermoord in Sobibor, waaronder hij zwaar gebukt ging. Ook De Jong was trouwens getroffen en vervuld van schuldgevoel, omdat hij overleefde terwijl zijn ouders, zijn tweelingbroer Sally en zijn zusje waren vermoord.

Presser aanvaardde de opdracht in 1950 meteen. Maar in de eerste jaren van zijn onderzoek raakte hij volkomen geblokkeerd, zoals Chris van der Heijden beschrijft in zijn dissertatie Dat nooit meer. Dag na dag zat Presser op zijn instituutskamer te staren naar dagboeken, brieven, verschrikkelijke herinneringen, en ook kille lijsten van gedeporteerde en vermoorde Joden. Het was Loe de Jong die hem verloste. De Jong suggereerde dat Presser ter ontspanning eerst een roman zou schrijven. Dat werd De nacht der Girondijnen, het boekenweekgeschenk van 1957. De hoofdfiguur heet Jacques, een Jood die zich schaamt over zijn laffe opstelling in Westerbork. In de laatste zin krijgt hij zijn naam terug: Jacob. Jacob aanvaardt dat het Jodendom zijn lot en zijn leven is. En de echte Jacques Presser was als het ware uit de kast gekomen. De honderdduizend vermoorde Nederlanders werden honderdduizend vermoorde Joodse Nederlanders. Zijn pen ging vloeien en het boek Ondergang kreeg vorm.

Vooralsnog was Loe de Jong de gevierde historicus, die landelijke bekendheid kreeg met de televisieserie De Bezetting. De straten waren leeg als er een aflevering werd uitgezonden. Het moest een samenbindend geschiedverhaal worden, van een volk dat bouwt aan zijn toekomst maar het verleden niet vergeet. De eerste aflevering heette ‘De overval’, en eindigde met een positieve cliffhanger – ‘maar daar was ook: het verzet!’ In 1962 kreeg De Jong de Nipkowschijf, die hij moest delen met het peuterprogramma Pipo de Clown.

Maar in diezelfde tijd stak ook het verzet tegen De Jong en zijn nationale benadering de kop op. Hij had een aflevering gemaakt over de Jodenvervolging, waarna hij in de studio in tranen was uitgebarsten. De collaboratie was hij uit de weg gegaan. ‘De schuldvraag zaait verdeeldheid’, vond hij. Die overweging kwam als een boemerang terug tijdens het geruchtmakende proces tegen Eichmann, de opper-uitvoerder van de Shoah. Hoe kon het dat honderdduizend Joodse landgenoten waren weggevoerd, terwijl de rest van de bevolking toekeek?

Dominee Buskes schreef als eerste dat ‘wij in Eichmann onszelf veroordelen’. Han Lammers, toen nog predikant in de dop, later gewichtig bestuurder, schreef ‘dat hij het Nederlandse volk aan de schandpaal zou nagelen’. Hij muntte het woord ‘klootjesvolk’, dat het sleutelwoord van provo zou worden. Het goede Nederland van De Jong was razendsnel een land van mededaders geworden.

Toen was het 1965 en publiceerde Presser Ondergang De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945. Met kanonschoten als eerste zinnen. ‘Dit boek behelst de geschiedenis van een moord. Een moord, tevens massamoord, op nimmer gekende schaal, met voorbedachten rade en in koelen bloede gepleegd.’ Loe de Jong vond het boek ‘emotioneel’, maar het werd binnengehaald als ‘een openbaring’. Het was de bezegeling van een kantelend geschiedbeeld. De Jong kon zeker in progressieve ogen geen goed meer doen. Volgens journalist W.L. Brugsma was hij ‘een kwezel’, een ‘rijksbureauvooroorlogsdocumentatiekwezel’. Maar toen ging het al snel niet meer over goed in de oorlog maar goed ná de oorlog.

Meer over