OPINIE

We moeten leren om vrij te zijn met elkaar, en niet ten koste van elkaar

De spanning tussen vrijheid en veiligheid loopt als een rode draad door de geschiedenis van de mens. Wie meent dat we door de coronacrisis in een dictatuur zijn beland, weet niet wat de begrippen vrijheid en onvrijheid betekenen, stelt Alicja Gescinska.

Protest tegen de coronamaatregelen in Amsterdam. Beeld Joris van Gennip
Protest tegen de coronamaatregelen in Amsterdam.Beeld Joris van Gennip

De mens is een rechtop lopende paradox. Tegenstrijdigheid is een onvermijdelijk onderdeel van de menselijke natuur. Als corona en de crisis van de voorbije maanden iets duidelijk maken, dan is het misschien wel dat. We worden voortdurend gevormd door gedachten en hunkeringen die zelden harmoniseren, soms schuren en vaak botsen. In de eerste en in de laatste plaats gaat het daarbij om de onverzoenbare en onstilbare verlangens naar vrijheid en veiligheid. De twee ‘oerdriften’ waartussen de mens voortdurend schippert, zoals de Poolse filosoof Leszek Kolakowski het ooit omschreef.

De voorbije maanden is op pijnlijke wijze wederom duidelijk geworden hoe moeilijk dat schipperen is en hoe een verstoord, altijd precair evenwicht tussen vrijheid en veiligheid het bestaan bemoeilijkt. Nieuw is dat inzicht niet te noemen. De spanning tussen vrijheid en veiligheid loopt als een rode draad door de geschiedenis van de mens, en van de politieke filosofie. Het is een spanning die aan de grondslag ligt van heel wat klassiekers uit de filosofie, zoals Thomas Hobbes’ Leviathan. Hobbes toonde zich bereid heel wat vrijheden op te offeren op het altaar van de veiligheid. Zijn Leviathan schetst daardoor een sociaal-politiek model dat eerder aan dictatoriale vrijheidsbeknotting doet denken dan aan de deugden van de liberale democratie.

Ook wij hebben de voorbije maanden veel, zo niet alles, in het teken van veiligheid gezet, in naam van de volksgezondheid. En niet toevallig is daardoor ook meermaals de kritiek geuit dat we in een tijd van dictatoriale vrijheidsberoving leven: een ‘coronadictatuur’. Vaak zijn het denkers van eerder uiterst rechtse en ook uiterst linkse signatuur die menen dat de coronacrisis dient om de brave burger onder de duim te houden. De coronamaatregelen betekenen een dittatura sanitaria, zoals de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben het stelt, waarin de vleugels van onze individuele vrijheid worden gekortwiekt. De noodtoestand wordt genormaliseerd en onvrijheid zal het nieuwe normaal worden.

Die kritiek is nogal kort door de bocht. Enkel wie nooit in een dictatoriaal regime heeft geleefd, kan menen dat de coronacrisis ons van de weeromstuit in een dictatoriale samenleving heeft doen belanden. Alleen al het feit dat je zonder gevolgen kunt zeggen dat je in een dictatuur leeft, is het bewijs dat je niet in een dictatuur leeft. De gechargeerde kritiek op het beleid getuigt van een eenzijdig begrip van wat vrijheid en onvrijheid werkelijk betekenen. Vrijheid is meer dan met rust gelaten worden door anderen, meer dan de afwezigheid van geboden of verboden, meer dan gewoon je zin kunnen doen. Wanneer iedereen gewoon zijn zin zou doen, heeft weldra niemand het nog naar zijn zin en zal de vrijheid van de ene de onvrijheid van de ander inluiden.

Isaiah Berlin, die met Two Concepts of Liberty misschien wel het belangrijkste essay over vrijheid van de vorige eeuw schreef, sprak over de snoek en de witvis. De vrijheid van de snoek is de dood van de witvis. Of met een andere metafoor uit het dierenrijk: de vrijheid van de wolf is de dood van het schaap. Daardoor is het schaap gebaat bij een omheining, bij afscherming: inzetten op veiligheid is nodig om ook maar iets van vrijheid voor het schaap te kunnen behouden.

Wat kunnen wij als mens leren van de relatie tussen wolf en schaap, snoek en witvis? Wel dit. Ten eerste: onbegrensde vrijheid mondt onmiddellijk in haar tegendeel uit. Vrijheid kan slechts bestaan bij de gratie van begrenzingen. Ten tweede: vrijheid is relationeel van aard. Wanneer we als samenleving niet uiteen willen vallen in een strijd tussen hongerige wolven en verscheurde schapen, moeten we leren vrij zijn mét elkaar, niet ten koste van elkaar. Onze vrijheid is zoals onze menselijke natuur zelf: per definitie sociaal. We kunnen pas vrij zijn in onze verbondenheid met elkaar. ‘De mens die het meest vrij is, is de mens die het meest broederlijk is.’ Zo drukte de Franse filosoof Gabriel Marcel het treffend uit. Marcel pleit voor een herwaardering van het begrip ‘naaste’, dat in onze individualistische wereld in de verdrukking is geraakt. ‘Naaste’ is een prachtig woord, dat filosofen te lang hebben veronachtzaamd en aan predikanten hebben overgelaten. De filosofie zou veel meer om de ander, de naaste, de broeder moeten draaien. En dat geldt ook voor de politiek en voor hoe we zelf naar onze vrijheid kijken: niet jezelf, maar de ander wat vaker centraal zetten. Precies omdat het persoonlijke altijd interpersoonlijk is, is ook onze persoonlijke vrijheid door en door interpersoonlijk. Ik ben vrij voor én door de ander.

Wanneer we er zo naar kijken, worden de opofferingen van de voorbije maanden zinvoller, draaglijker, hoopvoller. Uiteraard hebben wij allen talloze individuele vrijheden moeten opofferen. Maar je moet soms vrijheden opgeven om ze niet te verliezen. Tijdelijk loslaten om ultiem te behouden. Wie de broederlijkheid omarmt, beseft dat opofferingen zinvol zijn als daad van broederlijkheid, van bekommernis om de ander, in het bijzonder de kwetsbaarsten onder ons. Het opofferen van onze individuele vrijheid in naam van onze menselijke broederschap, bekrachtigt paradoxaal genoeg ook die vrijheid. Immers, geen mens zo vrij als hij die tot broederlijkheid in staat is.

Als de crisis van de voorbije maanden de hardleerse mens iets leert, dan hopelijk dit: we moeten afstappen van het individualistische vrijheidsbegrip dat sinds de jaren ’60 alsmaar dominanter is geworden en onze ‘neoliberale’ samenleving heeft getekend en gelittekend. Vrijheid is geen individualistisch, maar een interpersoonlijk ideaal. Zij is altijd relationeel en begrensd van aard.

Uiteraard moeten we voortdurend bezorgd zijn over die begrenzingen en de balans tussen vrijheid en veiligheid. In die bezorgdheid kunnen we onze maatschappelijke betrokkenheid tonen. Maar opruiende schreeuwerigheid is iets anders dan burgerlijke waakzaamheid. De nuance is de kroon op de beschaving. Door ‘dictatuur’ en moord en brand te schreeuwen, bewijzen we de beschaving geen dienst. Dat geldt uiteraard ook voor Thierry Baudet, bij wie het wel vaker even vergeefs zoeken is naar nuance als naar sneeuw in de Sahara. In een recente post op sociale media gaf Baudet te kennen dat de vrijheid bij ons een levensduur van 1945 tot 2020 kende. De post riep niet zonder reden heel wat verontwaardiging op. Na een jaar als het vorige, en op dagen als deze, is die boodschap naast onjuist ook onwenselijk.

Onze persoonlijke vrijheid realiseren we niet ondanks, maar dankzij de ander; niet ten koste van, maar samen met de ander. Door onze eigen wil en ons eigen gedrag aan bepaalde morele en maatschappelijke restricties te onderwerpen kunnen we onze vrijheid en die van een ander vervullen. Dat betekent hoegenaamd niet dat elke restrictie gelegitimeerd en automatisch aanvaard moet worden voor een hoger goed. Wel betekent het dat niet elke restrictie een ongeoorloofde beknotting is van dictatoriale proporties. Hoe frustrerend de coronamaatregelen ook vaak waren, de crisis heeft onze persoonlijke vrijheid niet de vleugels afgeknipt. Dat zien we hopelijk weldra weer duidelijker, wanneer we, gevaccineerd en wel, de vleugels van onze vrijheid weer verder kunnen uitslaan.

Alicja Gescinska is een Pools-Belgische filosoof en schrijver.