columnAnna van Leeuwen

We moeten gauw de spoken uit de musea verjagen

null Beeld

Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, ­muziek, theater of beeldende kunst.

‘Het is een soort spooktentoonstelling’, verzuchtte de directeur van een Haagse kunstinstelling vorige week. Al vijf maanden lang stond bij haar een tentoonstelling klaar om gezien te worden. Ik mocht alvast gaan kijken. De medewerker die me binnenliet en daarna weer het kantoor inging, zei: ‘Je kunt je mondkapje straks wel afdoen, je bent toch alleen.’

Alleen in een tentoonstellingsruimte zijn, dat kan natuurlijk ook buiten lockdowns gebeuren. Bij een voorbezichtiging bijvoorbeeld, of als het lekker weer is. Het zou de ideale manier van kunst kijken kunnen zijn: niemand staat in de weg, gegarandeerd zie je gewoon het schilderij in plaats van iemands achterhoofd. Maar de ervaring is me de afgelopen maanden flink gaan tegenstaan. De stilte was onwerkelijk, ongemakkelijk, ja, spooky. De exclusieve bezichtiging begon steeds oneerlijker te voelen. Oneerlijk omdat zo veel al wel mocht, oneerlijk tegenover de mensen buiten en ook gewoon oneerlijk ten opzichte van de kunst.

In een enkel geval bleef een spooktentoonstelling een spooktentoonstelling. In Maastricht was in december een groepstentoonstelling opgebouwd: veertien kunstenaars, twee curatoren, zeven subsidiegevers. Anderhalve maand later werd die tentoonstelling ongezien weer afgebouwd. Dat moet een trieste bedoening zijn geweest.

Ook droevig: waar de rij voor het Stedelijk Museum Amsterdam hoort te staan, worden al maanden sportklasjes gegeven. Het gespring en geschreeuw is een maf contrast met de stilte binnen. Hoe is het als straks de deur weer opengaat?

Vorig weekend was ik na lange tijd in Artis, waar de wallaby’s (kleine kangoeroes) hun onvrede over de komst van de dierentuinbezoekers moeilijk konden verbergen. In hun weide, waar een paadje doorheen loopt, hadden ze zich zo ver mogelijk van het pad bij de omheining verschanst. Een medewerker van Artis legde uit dat de dieren mensenschuw zijn.

Hoe zouden de kunstwerken zich zonder bezoek hebben gevoeld? Ik heb mijn medebezoekers in ieder geval gemist. Dat is ook wat ik me herinner van een jaar geleden, 1 juni 2020 (1 juno, weet u nog?) toen ik, na elf weken alles op pauze, weer in een museum was. Natuurlijk was de kunst indrukwekkend en waren de grote stickers met pijlen op de vloer dat ook, maar het fijnst was om andere mensen weer tussen de kunst te zien. Het geroezemoes in het museumcafé staat me ook nog bij.

Mensen in musea hebben de neiging zich heel netjes en stilletjes te gedragen, maar ik hoop dat we vanaf zaterdag luid gejuich en blij geschreeuw zullen horen. Misschien kunnen we die sportklasjes springend door het Stedelijk sturen. Om alle spoken weg te jagen, en de kunst flink te laten schrikken. Ik neem me ook plechtig voor nooit meer te klagen als ik uitzicht heb op een achterhoofd in plaats van een kunstwerk.

Meer over