ColumnThomas van der Meer

We komen op onze toekomstige koningin over als een stel ouwe demente bejaarden

null Beeld

Mevrouw Bonnema (78) draagt altijd een pyjama, maar vandaag wil ze haar mantelpakje aan en een zondagse blouse. ‘Straks ga ik mijn kinderen en kleinkinderen vertellen dat ik doodga.’

Ik weet niet hoe ze daarbij komt. Ze heeft al heel lang kanker, er is niets meer aan te doen en alles gaat heel moeizaam en traag, maar niet moeizamer en trager dan anders.

‘Ik voel het gewoon’, zegt ze.

Ze heeft er duidelijk plezier in eens iets anders aan te trekken. Als ik haar in haar panty heb geholpen, strekt ze een been. ‘Kijk eens, wat een mooie benen.’ Ze raakt steeds enthousiaster. ‘Ik wil ook een bh aan.’

De rok past niet meer. Ik heb hem ingenomen met een veiligheidsspeld en zolang ze op de stoel zit, zie je daar niets van. ‘Ik ben toch niet van plan op te staan’, zegt ze. Na het wassen en aankleden is ze doodmoe.

De familie heeft amper plaatsgenomen en ik ben de kamer nog niet uit of ze komt ter zake. Ze strijkt haar rok glad, recht haar rug en zegt: ‘Morgen is oma er niet meer.’

‘Wat bedoel je, mama? Hoezo?’, hoor ik haar zoon vragen, voordat ik de deur achter me dichttrek.

Een halfuur later staat het gezelschap weer buiten en kijkt elkaar beduusd aan.

‘Dat was raar’, zegt het jongste kleinkind. ‘Gaat oma echt dood?’

Mevrouw Bonnema heeft het samenzijn met haar familie heel anders beleefd. ‘Hè, fijn’, zegt ze, als ik haar even later weer naar bed help. ‘Het was heel mooi. We hebben allemaal iets kunnen zeggen. Nu is het goed.’

‘Had u niet gewild dat uw kinderen waren gebleven?’

‘Nee, zeg. Alsjeblieft. Ik hoef geen mensen aan mijn bed die me zitten te bekijken terwijl ik slaap.’ Ze wijst naar de alarmknop aan het koord dat ze om haar hals draagt. ‘Als het zover is, bel ik wel.’

’s Avonds drukt mevrouw Bonnema op de bel. Mijn collega staat net op tijd aan haar bed om te zien hoe ze voor de laatste keer ademhaalt.

Mensen die zeggen dat ze doodgaan moet je, kortom, serieus nemen, maar mevrouw Kostermann (95) maakt het me moeilijk. Ze ligt al een jaar op sterven. Voor de zoveelste keer heeft ze me aan haar bed ontboden om afscheid te nemen. Ze houdt mijn gezicht tussen haar handen en zegt: ‘Ik houd veel van je, ook al ben je een homootje.’

Ik schiet in de lach.

‘Wat lach je nou?’, vraagt ze. ‘Ik lig hier dood te gaan en jij staat te lachen.’

Ik moest aan mevrouw Kostermann denken bij alle opwinding over prinses Amalia. Het begon met het verschijnen van een boek van Peter Rehwinkel over haar, waarin hij van alles uitlegt over de monarchie. Bijvoorbeeld dat de troonopvolger afstand moet doen van de troon als hij of zij trouwt met iemand van hetzelfde geslacht. En toen vroegen mensen zich opeens af: is de prinses lesbisch? Dat vond ik beschamend. Zo komen we op onze toekomstige koningin over als een stel ouwe demente bejaarden.

Mevrouw Kostermann heeft het ook altijd over homo’s. Ze vertelt dat ze vaak boos is op God, omdat Hij haar zo lang laat lijden, en dat ze dan naar boven roept: ‘Bent U soms een vieze homo?’

‘Vindt u homo’s vies?’

‘Nee, nee’, zegt ze gauw. ‘Ik heb er niets tegen.’

Ze vertelt iedereen aan haar sterfbed dat ik homo ben. En aangezien dat sterfbed nogal lang duurt, zijn dat een heleboel mensen, maar niemand kan het iets schelen. Niemand, behalve de arts.

In de pauze komt ze tegenover me zitten. Ze kijkt me aan met een spottende, geamuseerde blik. Zo bekijkt ze me ook altijd als ik haar moet assisteren en ze in de gaten heeft dat ik me voor haar aan het uitsloven ben.

‘Volgens mij ben jij helemaal geen homo’, zegt ze.

Ik sla mijn ogen neer en kijk blozend naar de boterham op mijn bord. Het is waar. Ik ben ook niet heilig. Voor de arts zou ik van team wisselen.

Thomas van der Meer is schrijver en werkt in een verpleeghuis. De namen van personen in deze column zijn gefingeerd.

Meer over