ColumnHaro Kraak

We hadden nooit echt een goed beeld van Afghanistan (en hadden er niets te zoeken)

null Beeld
Beeld

Op maandag, zo rond het middaguur, werd ik gebeld met een tamelijk onmogelijk verzoek. Of ik samen met een collega, voor de krant van morgen inderdaad, een ooggetuigenverslag vanuit Kabul kon schrijven. Hoe was het daar nu op straat? Merkten ze al iets van de Taliban? In 900 woorden, alsjeblieft.

Terwijl ik me in lichte paniek afvroeg hoe ik in godsnaam, thuis achter de laptop, Afghaanse bronnen ter plaatse zou vinden, belde mijn collega met een wezenlijker dilemma: als we die mensen eenmaal hadden gevonden, hoe zouden we hun getuigenissen dan op waarde schatten? Hoe wisten we of ze niet gewoon hun gekleurde versie van de werkelijkheid gaven?

De waarheid: dat konden we onmogelijk weten. We moesten ervan uitgaan dat de interviews niet geheel betrouwbaar waren. De oplossing: portretjes in full quote, zodat we de beweringen niet voor eigen rekening hoefden te nemen. Binnen een paar uur vonden we, langs gebaande paden, de benodigde bronnen: via lokale fixers, gevluchte Afghanen in Nederland, belangengroepen.

In een internetcafé in Kabul proberen Afghanen een visum te regelen. Beeld Getty
In een internetcafé in Kabul proberen Afghanen een visum te regelen.Beeld Getty

Nee, niemand die de Taliban een warm hart toedroeg.

De eerste berichten uit het veroverde Kabul volgden de lijn van wat wij in het Westen verwachten van een fundamentalistisch islamitische machtsovername. Meisjes gingen niet meer naar school, op de radio werd geen muziek meer gedraaid, op tv en op straat bedekten vrouwen hun hoofd, kappers haalden afbeeldingen van vrouwen van hun winkelruit, iedereen die ooit iets voor internationale bedrijven of overheden had betekend, moest vrezen voor zijn leven.

In de Volkskrant en The Guardian stonden hartverscheurende interviews met hoogopgeleide Afghaanse vrouwen die hun toekomst ineen zagen storten en hun leven niet zeker waren. In beide stukken vielen de gelijksoortige reacties van mannen op straat op. ‘Kijk ze rennen, net goed!’ Met zo’n outfit verdienden ze het om ‘onder’ een Talibanstrijder te belanden. Een man riep naar een groep vrouwen: ‘Ik ga vier van jullie op één dag trouwen.’

Waren dit dan ook de mannen die selfies namen met de Taliban? Ik moest eraan denken toen ik in een inzichtelijk stuk van Rob Vreeken in deze krant las dat de Afghaanse leiders in een ‘surrealistische bubbel’ leefden. Net als menig westerling hadden zij geen besef van wat er in het land gebeurde. Dit was geen opmars van de Taliban, schreef Vreeken. ‘Ze zaten al overal.’

De steun voor de fundamentalistische islam is groot in het land, ondanks decennialang pogingen om liberale opvattingen te verspreiden. Volgens onderzoek van Pew Research uit 2013, gemeten onder een representatieve steekproef van 1509 mensen, steunt 99 procent van de Afghaanse moslims (die nagenoeg de hele bevolking uitmaken) shariawetgeving. En van hen vindt weer 85 procent steniging als straf voor overspel gerechtvaardigd en keurt 79 procent de doodstraf voor afvalligen goed. Dit werd gepeild in een tijd dat de Taliban niet aan de macht waren.

Tegen beter weten in blijven we hopen dat onze westerse democratie en cultuur voor alle volkeren van de wereld uiteindelijk het gedroomde model zal zijn, dat onze waarden zo universeel en vanzelfsprekend superieur zijn dat ook tribale Afghaanse boeren en krijgsheren die ze met dwang toegediend krijgen daarvan overtuigd zullen raken. We hebben ‘laten zien dat het ook anders kan’, zei minister van Defensie Ank Bijleveld zondag nog, terwijl de Taliban zonder noemenswaardig verzet het land veroverden.

Ja, dat zal ze nog lang bijblijven.

Westerse media lieten hun beeld van Afghanistan de afgelopen decennia vooral inkleuren door generaals, politici en diplomaten, schreef Bette Dam, een paar dagen voordat Kabul viel, in een genuanceerd stuk in De Groene Amsterdammer. Zij zat van 2009 tot 2014 in Afghanistan, achterhaalde onder meer waar Talibanleider Mullah Omar zich tot zijn dood in 2013 had verscholen en meent al jaren dat de Taliban en Al Qaida minder verweven waren dan de Amerikanen dachten.

Het land werd neergezet als een broedplaats voor terroristen, schreef Dam in De Groene. Zelf kwam ze er heel andere dingen tegen. Alleen de Taliban kunnen volgens haar voorkomen dat ‘Afghaans grondgebied ooit weer als uitvalsbasis voor een terreurdaad à la 9/11 zal worden gebruikt’. Tegelijkertijd vreest ze – na twintig jaar war on terror – dat de kans op een verzoenende houding van de Taliban nu een stuk kleiner is dan in 2001.

Rond de internationale troepen ontstond een oorlogseconomie, zag Dam. ‘Informanten, tolken, bestuurders, bewakers kregen steeds beter door wat de Amerikanen van hen wilden, en dat ze daar goed voor betaald werden.’ Dit zou geleid hebben tot vele valse aangiften: een terrorist, eropaf. Zo noemt ze het geval van een informant die, voor het riante tipgeld, zelf een raket op een legerbasis afvuurde en een langsrijdende taxichauffeur aanwees. Later overleed de chauffeur in de martelgevangenis in Bagram.

Door de oorlogseconomie rond journalisten krijgen we nu vooral het beeld van duizenden Afghanen die wanhopig het land uit proberen te komen, van ambassadepersoneel dat aan hun lot wordt overgelaten, van vrijgevochten vrouwen die zich moeten verstoppen. Dat is de minderheid die het Westen heeft besmet met ons vrije denken en onze mensenrechten, en die we nu genadeloos achterlaten.

Je zou kunnen zeggen dat het grotere verhaal is: dat flinke delen van de bevolking liever onder een inheems fundamentalistisch regime leven dan in een corrupte democratie, opgetuigd door buitenstaanders. Dat we nooit echt een goed beeld hadden van het land en er niets te zoeken hadden.

Meer over