COLUMNIbtihal Jadib

Wat was er vroeger eigenlijk mis met die Adidasslipper naar mijn hoofd?

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

Ik begin steeds beter te begrijpen waarom mijn moeder ons vroeger thuis bedreigde. Ik ben zelf nu een tijdje onderweg met opvoeden en de resultaten laten vooralsnog te wensen over. De kinderen zelf zijn erg gelukkig, daar ligt het niet aan. Ik, de geheelonthouder, overweeg daarentegen steeds vaker om aan het eind van de dag naar de fles te grijpen.

Er was geen twijfel over: de autoritaire Marokkaanse opvoeding die ik zelf had genoten ging ik niet doorgeven. Ik zou mijn kinderen alles uitleggen met een geduldige glimlach. Wij zouden rustig met elkaar rond een eikenhouten keukentafel plaatsnemen om al knikkend naar ieders inbreng tot een omhelzing te komen. Inmiddels weet ik dat het een wonder van wereldse proportie is wanneer het grut überhaupt de billen op de stoel weet te houden en er langer dan 12 seconden verstrijken voor de volgende crisis plaatsvindt. Ik betrap mezelf steeds vaker op de gedachte: wat was er eigenlijk mis met die Adidasslipper naar mijn hoofd? Het was een kraakheldere grens en het leerde me goed mijn snoekduikreflex te trainen.

Vandaag was ik met het kroost naar Naturalis in Leiden. Een grandioos avontuur in een adembenemend mooi gebouw. Het begon vertederend, met twee opengevallen mondjes en vier ogen vol verwondering, maar na een tijdje kwam hun ware aard weer bovendrijven. De een wilde naar rechts, de ander links. Hij moest nog bij de Tyrannosaurus rex blijven, zij wilde door naar de mammoet. Ik polderde er zoals gebruikelijk op los en dat ging prima. Totdat kind nummer 1 moest plassen en kind nummer 2 pertinent weigerde het toilet te betreden. Terwijl ik nummer 2 tot rede probeerde te brengen, begon nummer 1 alvast in zijn broek te plassen, waarna ik nummer 2 streng toesprak: ‘Dan moet je HIER bij de deur blijven staan en geen STAP verzetten.’ U raadt het al: terwijl ik nummer 1 op de pot zette, nam nummer 2 de benen.

Voor degenen die Naturalis niet kennen: het museum telt negen verdiepingen, elk met een stuk of drie grote zalen. Op de begane grond is aan weerszijden een uitgang, één komt uit op de parkeerplaats, de ander ligt naast een groot kruispunt. Terwijl ik al rennend een plan probeerde te bedenken om systematisch de verdiepingen af te gaan, begon nummer 1 te jammeren over zijn eeuwig verloren zusje, wat een weinig bespoedigend effect had. Gelukkig schoot de bewaking te hulp, waardoor de hele toestand met een sisser afliep: nummer 2 had een stil hoekje gevonden waar ze met haar knuffel zat te kletsen. Toen ik haar, nog hyperventilerend, vroeg waarom ze was weggegaan bij het toilet, antwoordde ze onbewogen: ‘Ik was niet weg, jíj was me kwijt.’

Als ik het vroeger in mijn hoofd had gehaald om van mijn moederszijde te wijken waardoor ze radeloos naar mij had moeten zoeken, zou ik waarschijnlijk zijn doorgelopen naar de balie van een weeshuis om te vragen naar een bed. In het licht van wat me thuis te wachten stond, zou een verweesd leven mij minder afschrikwekkend hebben geleken.

Inmiddels beginnen de rollen zich om te draaien: mijn moeder voedt haar jongste nu op met het adagium ‘je kunt beter het gesprek aangaan dan streng verbieden’, terwijl ik juist de autoritaire lijn begin te waarderen. Misschien moet ik mijn kansen spreiden: bij kind nummer 1 het poldermodel toepassen, bij nummer 2 het gezag heroveren. Eens zien hoe dat ­uitpakt.

Meer over