ColumnPeter Buwalda

Wat kan ons zo’n bestorminkje schelen, als er hele planeten met elkaar in oorlog zijn

null Beeld

Sinds de lockdowns lezen mijn broer en ik zo nu en dan alsof we de Jongejansjes zijn een boek, dat wil zeggen: simultaan. (Edwin en Daphne Jongejans, de schoonspringende broer en zus, die olympisch wel eens synchroon ter plank verschenen, volgens mij. Geen idee, eigenlijk. Toch zie je het voor je, twee eendere salti, unisoon spetterloos plonsje, applaus. Goed beeld dus.)

Vooralsnog was de toewijding enorm. Elke avond na de vaat zakten Mike en ik in onze leeszetels, ik hier, hij in de Limburgse bush, en zetten zonder opkijken vijftig, zestig bladzijden weg, waarna we elkaar belden om te evalueren, beraadslagingen die makkelijk twee uur duurden. ‘En’, vroeg Jet weleens, ‘hoe ging het ermee?’ ‘Waarmee?’ ‘Met Mike natuurlijk.’ ‘Hoe moet ik dat nou weten?’ ‘Je hebt net uren aan de telefoon gehangen!’ ‘Ja, maar dat ging over Louis Couperus!’ ‘Maar toch niet alleen over Louis Couperus?’ ‘Ja, natuurlijk wel!’

Deze week staat H.G. Wells op de rol, War of the Worlds. Maar er is iets veranderd, lijkt het. Mike is druk met zijn nieuwe quarantainebuddy, te weten vieze president Pens, ook een Mike, trouwens. ‘Gisteren weinig gelezen, Peet’, appte hij. ‘Toch weer CNN gekeken. Het escaleert.’

‘Wat kan ons zo’n bestorminkje schelen’, antwoordde ik, ‘als er hele planeten met elkaar in oorlog zijn.’ Vroeger, toen we nog op één kamer sliepen met Menno, mijn oudere broer, bonden we Mike als hij geen zin had om indiaantje te spelen gewoon vast, voetbalsok in zijn zevermondje, en rolden hem onder zijn bed. Na een tijdje gingen Menno en ik naar beneden, Road Runner kijken. Als onze moeder een bakje chips neerzette en vroeg waar Mikeltje uithing, haalden we onze schouders op, niet expres, maar omdat we het niet precies wisten, eigenlijk.

In feite gaat het nog steeds zo. Menno en ik blijven gewoon twee jaar ouder, natuurlijk. En ik ben de leesbaas. Vorige maand deden we Eline Vere, vandaar die uitvoerige telefonades over Couperus, en toen had ik de wind er nog stevig onder. ‘Vroolijken schalk’, appte ik gerust, ‘lig jij nog een beetje te filozoferen? Ik zit hier al eene pooze op de pouffe met de ons zo dierbaren Eline.’

(Ongelooflijk boek, Eline Vere, je snapt niet hoe de 26-jarige Couperus het klaarspeêlde, zonder eenen tekstverwerker, zonder lumières om te gaân bekijken, zóó beêldenrijk, zóó vloeiend van stilistiek. Waâre hij geen Hagenees geweest, maar zoals de galanten Henry James eenen New Yorker, dan was Lowieke wereldberoemd geworden, in plaats van verstoft geraakt in ons slôrdige Nederland, waar de menschen zichzelven, omdat ze zich zo ‘verveelen’, liever met Big Brother amuzeeren.)

‘Neen, dikke jongen’, antwoordde Mike, ‘ik leg mijne courant juist terzijde. Hoeverre ben jij geraakt?’

Old chap, ik doê dit niet om geestig te zijn, maar ik verblijf intusschen in de driehonderdtallen.’

‘Heusch? Ik verschiet ervan! Dan heb ik weêr te lang geschertst en geluierd achter den porte-brisée.’

Van Pens hadden we nog geen last, wel van Kerst. Juist toen de grand finale naderde, werd Mike in zijnen zwarten rok en lakmuilen bij de schoonluiê in Belgiën verwacht, om zich op sigaren en cognac te laten prezenteeren, zeker.

Mooiê niet, hadde ik gedacht. Vlug sloêg ik de corona-reêgelen erop na, en daar had je het, getweeên in de landauer naar Pajottenland was een weinig geoorloofd, helemaal niet zelfs.

‘Mag niet’, appte ik.

Meer over