Columnkustaw bessems

Wanneer een belanghebbende ons zand in de ogen probeert te strooien

null Beeld
Kustaw Bessems

Een van de interessantste interviews van het jaar verscheen op de valreep op platform De Correspondent. Hierin mocht Erik Gerritsen zijn verhaal doen, tot juni de hoogste ambtenaar op het ministerie van Volksgezondheid en dus hoofdrolspeler in de corona-aanpak. Het is onthullend.

Gerritsen erkent dat het kabinet niet eerlijk was tegen parlement en bevolking wanneer het planningen of routekaarten bekendmaakte met betrekking tot testcapaciteit, bron- en contactonderzoek, beschermingsmiddelen en beperkende maatregelen. Het wist dat die niet of niet meer klopten. Volgens Gerritsen werd een ‘illusie van beheersing’ geschapen omdat de bevolking grote onzekerheid mogelijk niet aan zou kunnen en omdat er anders ‘binnen twee weken een motie van wantrouwen’ zou liggen.

In het stuk maakt Gerritsen verder, overigens zonder man en paard te noemen, journalisten zwart en doet hij een intimiderend voorstel. Hij suggereert ‘half serieus’, aldus de auteurs, dat de Wet openbaarheid van bestuur – bedoeld om burgers inzicht te geven in hun overheid – moet worden gebruikt om communicatie van journalisten met die overheid te openbaren. Daaruit zou dan ‘vooringenomenheid’ moeten blijken. Dit terwijl journalisten grote moeite hebben gehad om relevante informatie te krijgen van het ministerie waarvan Gerritsen de ambtelijke baas was.

Gerritsen, tegenwoordig directievoorzitter van woningcorporatie Ymere, ondermijnt alvast het onderzoek naar de coronacrisis door de onafhankelijke Onderzoeksraad voor Veiligheid, waarvan in februari een eerste rapport wordt verwacht, én de parlementaire enquête, die halverwege het jaar moet beginnen.

Hij stelt dat evaluaties er geen rekening mee zullen houden dat het achteraf makkelijker praten is, terwijl je het in een crisis met de kennis van het moment moet doen. En dat die evaluaties slechts zullen kijken naar de mate waarin Nederland was voorbereid op een pandemie en niet naar de veerkracht waarmee op ontwikkelingen is ingespeeld. Als hij gelijk zou hebben, zouden de mensen bij de Onderzoeksraad voor Veiligheid basisprincipes van hun vak niet verstaan.

Over de parlementaire enquête – de leden zijn nog niet eens benoemd – zegt Gerritsen nu al dat hij de kans klein acht dat die rekening zal houden met de onzekerheid waarin de overheid moest werken. Hij kijkt vooruit naar zijn eigen verhoor voor zo’n commissie: ‘Of ik hardop ga denken, en soms een beetje speculeren hoe het is gegaan? En dan maak ik per ongeluk een fout, en komt er ergens een memootje naar boven waaruit blijkt dat ik iets al eerder wist, wat ik echt oprecht vergeten ben? En dat ik dan voor meineed word vervolgd?’

Hij vervolgt: ‘Ga ik dan proberen er maximaal openhartig, eerlijk, kwetsbaar in te gaan? Ga ik dan zo’n gesprek voeren zoals ik hier een beetje zit te kletsen? Of ga ik dan heel afgemeten zijn? Met een statement van tevoren van: luister, als ik het niet zeker weet, ga ik zeggen dat ik het me niet meer kan herinneren, punt.’ Gerritsen zegt dat hij het eerste slechts zal doen als de enquête draait om leren, en niet om afrekenen. ‘Maar om eerlijk te zijn heb ik daar weinig vertrouwen in.’

Een valse tegenstelling, want er zit veel tussen ‘speculeren’ of ‘een beetje zitten kletsen’ en onterecht beweren dat je je iets niet herinnert. Namelijk: naar eer en geweten antwoorden. Gerritsen zegt in feite: wanneer ik dat niet doe, is dat sowieso de schuld van de enquêtecommissie.

Anderen zien het betoog van Gerritsen als welkome nuance bij te makkelijke kritiek. Een verleidelijke gedachte. Maar laten we het ook in het nieuwe jaar blijven herkennen wanneer een belanghebbende die veel macht had ons zand in de ogen probeert te strooien.

Ik wens u een mooi 2022, in goede gezondheid.

Meer over