ingezonden brieven

Wachten op ‘de Dansplaag’ na covid-19

De ingezonden lezersbrieven van dinsdag 25 mei

Een flashmob in het Papendrechtse winkelcentrum De Meent.  Beeld Richard van Hoek
Een flashmob in het Papendrechtse winkelcentrum De Meent.Beeld Richard van Hoek

Brief van de dag

Ik vraag me af of de Belgische viroloog Marc Van Ranst en voorman Willem Engel van Viruswaarheid ooit gehoord hebben van choreomanie, wat een ziekelijke drang is om te dansen. Het kwam voor in de Middeleeuwen en werd ook wel danszucht of danswoede genoemd.

In de geschiedenisboeken staat geschreven dat de laatste uitbraak van ‘de Dansplaag’ plaatsvond in 1518 in de Elzas. Ongeveer 400 mannen en vrouwen sloegen aan het zwieren en zwaaien, maar konden daar zelf gek genoeg niet meer mee ophouden. Volgens de overlevering leek het dansen op het maken van spastische bewegingen en de swingers hadden toentertijd zelf verteld dat ze hemelse visioenen hadden gezien. Na enkele weken vielen ze van totale uitputting om, kregen een hartaanval of beroerte.

De wetenschap leert dat zulke dansmanies altijd uitbraken op plaatsen waar kort daarvoor sprake was geweest van hongersnood en …. ziekten! Met een beetje geluk zal de wereld dus na covid-19 kennismaken met een heuse choreomanie-pandemie, waar zelfs die viruswaanzinnige dansleraar uit Rotterdam van in vervoering zal raken.

Stel je toch eens voor dat alle straten, avenues, promenades, pleinen, patio’s of boulevards zich vullen met drommen stervelingen die niet meer kunnen ophouden met dansen en hemelse visioenen hebben. Ik verlang nu al naar de beelden van over de hele wereld, die hupsende hordes mensen laten zien die spastische bewegingen maken tot ze erbij neer vallen.

Van Ranst en Engel kunnen hun borst nat maken.

Willem Versteegh, Rotterdam

Maryse Condé

In het artikel over Assa Traoré en haar strijd tegen racisme en politiegeweld, trof mij de familienaam ­Traoré. Ik citeer uit het boek Ségou van prijswinnaar Maryse Condé: ‘De verscheurdheid van de Bambara, het volk dat Ségou had gesticht, vindt zijn weerslag in de lotgevallen van de familie Traoré: zij verspreidden zich in alle windrichtingen... De strijd om de overheersing van Afrika wordt ook de strijd om de ziel van de Afrikanen.’ Assa Traoré draagt een trotse naam waarmee zij ideologisch en mogelijk ook biologisch verwant is met voorvaderen uit de 19de eeuw in Mali.

Eloy van de Lisdonk, Ulft

Randstadisme

Terecht stond in de krant van zaterdag een kritische noot over de randstedelijke bril van de krant . In datzelfde stukje wordt gesproken over de gewapende overval in Amsterdam-Noord, even verderop in de krant een gevonden boek in Amsterdam-Oost. Een interview met A.F.Th. van der Heijden vindt plaats in zijn huis in Amsterdam-Zuid.

Het valt jullie blijkbaar niet op dat die toevoegingen achter de plaatsnaam alleen gebeuren als het over Amsterdam gaat. Het voegt bijna niets toe. Iets om als krant over na te denken.

Emiel de Wit, Breda

Vrouwenliefde

De vraag is niet: ‘Kan een man vrouwenliefde beschrijven?’ De vraag is: ‘Kan A. F. Th. van der Heijden vrouwenliefde beschrijven?’ Een vluchtige gedachte toen ik de voorpagina van de zaterdageditie bekeek. Het zaterdagkatern gaat over racisme en daarmee samenhangende generalisaties. Dit katern lezende, nestelde mijn eerdere vluchtige gedachte zich in mijn hoofd als een oorwurm. Natuurlijk kan Van der Heijden dat. Dat hij man is, is bijzaak.

Hèlen Heskes, liefhebber en (bijzaak) vrouw, Utrecht

Zichtbaar maken

Het diversiteitsbeleid heeft succes gehad: een toename van het aantal vrouwen van 22 naar 40 procent. Dit succes is mede te danken aan het feit dat zowel de achterstand als de vooruitgang zichtbaar kon worden gemaakt. Nu het gaat om het vergroten van culturele diversiteit is het zichtbaar-maken ineens ‘onethisch’.

Ondanks de haken en ogen die er inderdaad kleven aan alle categoriseringen, is het nodig dat we ongelijkheid zichtbaar maken en kwantificeren. Het vergroot niet alleen inzicht, maar vooral ook de ‘sense of urgency’ die beleidsmakers en politici aanzet tot actie. Deze cijfermatige gegevens zijn nodig om structurele mechanismen van uitsluiting te herkennen en aan te pakken; mechanismen die onzichtbaar blijven wanneer we blijven kijken door de brillen van ‘kleurenblindheid’ en ‘iedereen-is-uniek’.

Uiteraard is voorzichtigheid geboden en gaat het om data voor onderzoek en – op geaggregeerd niveau – voor beleidsdoeleinden, en niet om data op individueel niveau voor managementdoeleinden. Uiteindelijk vormen cijfers slechts instrumenten om te komen tot diverse en inclusieve omgevingen waarin iedereen daadwerkelijk beoordeeld wordt op individuele kwaliteiten.

Marieke Slootman, diversity officer onderwijs Vrije Universiteit Amsterdam en mede-auteur van het rapport Let’s do Diversity, Diemen